Belanghebbende werd navorderingsaanslagen en boetes opgelegd wegens het niet aangeven van tegoeden en rente-inkomsten op rekeningen bij de Kredietbank Luxembourg (KB-Lux) over de jaren 1990 tot en met 1996. De Rechtbank en het Hof hebben grotendeels de aanslagen en boetes bevestigd, waarbij het Hof oordeelde dat belanghebbende opzettelijk inkomsten en vermogen buiten de belastingheffing heeft gehouden.
In cassatie stond centraal of het bewijsvermoeden dat uitging van het saldo op 31 januari 1994 ook toepasbaar is op andere jaren, en of dit in overeenstemming is met het EVRM. De Hoge Raad bevestigde dat voor de jaren 1994 en later een dergelijk bewijsvermoeden gerechtvaardigd is, mits de belastingplichtige de mogelijkheid heeft om dit te weerleggen. Voor jaren vóór 1993 is dit bewijsvermoeden niet toelaatbaar omdat het te zeer op veronderstellingen berust.
Daarnaast verwierp de Hoge Raad het Salduz-verweer, omdat belanghebbende niet was aangehouden tijdens het verhoor. Het oordeel van het Hof dat sprake was van opzet werd als voldoende gemotiveerd beschouwd. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens tijdsverloop werd afgewezen omdat dit niet in cassatie kan worden ingediend.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, waarmee de eerdere uitspraken van Hof en Rechtbank werden bekrachtigd.