Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
10 september 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die tussen 25 november 2000 en 10 oktober 2005 een WW-uitkering ontving en niet heeft gemeld dat hij werkzaamheden verrichtte als zelfstandig ondernemer. Het gerechtshof had bewezen verklaard dat verdachte opzettelijk deze gegevens niet had verstrekt, waardoor hij zichzelf bevoordeelde.
De verdachte voerde in hoger beroep aan dat hij zijn activiteiten als opstart van een bedrijf zag en geen inkomsten had, waardoor hij niet meende te hoeven melden dat hij werkte. Hij verwees naar een cursus van het UWV waarin hem was verteld dat alleen bij het genieten van inkomen werkzaamheden gemeld moesten worden.
De Hoge Raad oordeelt dat het gerechtshof onvoldoende heeft gemotiveerd dat verdachte het opzet had om bewust onjuiste gegevens te verstrekken. De verklaringen van verdachte over het niet als werk zien van zijn activiteiten en het ontbreken van inkomsten maken het oordeel over opzet niet toereikend onderbouwd.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep op basis van de bestaande stukken.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.