Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Slotsom
5.Beslissing
10 september 2013.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte was vrijgesproken van mensenhandel. De tenlastelegging betrof het aanwerven en/of medenemen van vrouwen uit Tsjechië met het oogmerk hen in Nederland of een ander land tot prostitutie te brengen.
Het hof had de verdachte vrijgesproken omdat het oordeel was dat het oogmerk van de verdachte zich moest richten op het in Nederland brengen van de vrouwen tot prostitutie, terwijl de wetsgeschiedenis en de tekst van art. 273f lid 1 onder 3 Sr vereisen dat het oogmerk gericht moet zijn op het beschikbaar stellen van de betrokkene tot seksuele handelingen in een ander land dan waar deze is aangeworven, meegenomen of ontvoerd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de tenlastelegging onjuist had uitgelegd en daardoor de verdachte vrijsprak van iets anders dan wat was tenlastegelegd. Ook verwierp de Hoge Raad het verweer dat reeds gevormde wilsbesluiten van de aangeefsters aan de toepassing van art. 273f lid 1 onder 3 Sr in de weg zouden staan.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onjuiste uitleg van de tenlastelegging en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.