Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
10 september 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die in hoger beroep werd veroordeeld voor poging tot zwaar lichamelijk letsel en bedreiging. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee voorwaardelijk. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep was de verdachte niet bijgestaan door een raadsman en gaf zij aan geen juridisch adviseur te hebben geraadpleegd.
De verdachte voerde aan dat zij niet met het mes had gestoken of gedreigd, maar dat het mes per ongeluk was gevallen. Het hof vond geen aanleiding om ambtshalve een raadsman toe te voegen, mede omdat er geen voorlopige hechtenis was bevolen en de verdachte zich bewust was van de consequenties van het afzien van rechtsbijstand.
De Hoge Raad bevestigde deze beoordeling en overwoog dat het recht op een eerlijk proces niet wordt geschonden wanneer een verdachte kiest zichzelf te verdedigen, mits de rechter erop toeziet dat deze keuze weloverwogen is. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen; het hof heeft terecht geen ambtshalve raadsman toegevoegd.