Betrokkene was onvrijwillig opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, aanvankelijk op grond van een TBS-maatregel en later op basis van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De officier van justitie verzocht de rechtbank om een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen, waarbij een verklaring van een psychiater was gevoegd die betrokkene eerder had behandeld.
De raadsvrouwe van betrokkene voerde aan dat deze verklaring niet voldeed aan de wettelijke eisen omdat de psychiater niet onafhankelijk zou zijn, gezien diens langdurige behandelrelatie met betrokkene en het feit dat deze minder dan een jaar geleden nog behandelaar was. De rechtbank verwierp dit verweer en oordeelde dat de psychiater als onafhankelijk kon worden beschouwd omdat de behandelrelatie al ruim een jaar was beëindigd.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd door uitsluitend het tijdsverloop sinds het einde van de behandelrelatie te betrekken bij de beoordeling van de onafhankelijkheid van de psychiater. Ook de duur en intensiteit van de behandelrelatie moeten worden meegewogen. Hierdoor kon de beschikking niet in stand blijven.
De Hoge Raad vernietigde de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing.