Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
17 september 2013.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van een verdachte die onvoorwaardelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens verblijf als ongewenste vreemdeling in Nederland. De kern van het geschil betreft de naleving van de Europese terugkeerrichtlijn bij de strafoplegging op grond van artikel 197 (oud) Sr.
De Hoge Raad stelt voorop dat sinds 24 december 2010 de strafoplegging bij veroordeling wegens handelen in strijd met artikel 197 (oud) Sr in overeenstemming moet zijn met de terugkeerrichtlijn. Dit betekent dat de rechter zich ervan moet vergewissen dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen voordat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.
In deze zaak blijkt uit het vonnis van de rechtbank en het bevestigende arrest van het hof niet dat deze verificatie heeft plaatsgevonden. Daarom had het hof het vonnis niet zonder nadere motivering mogen bevestigen. De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.
De uitspraak benadrukt de verplichting van de rechter om in strafzaken met betrekking tot ongewenste vreemdelingen de terugkeerrichtlijn strikt te respecteren en de motivering daarvan expliciet te maken in de uitspraak.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting wegens het ontbreken van bewijs dat de terugkeerprocedure is doorlopen.