Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het vierde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
17 september 2013.
Hoge Raad
In deze strafzaak betrof het beroep in cassatie een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin een schadevergoeding aan de benadeelde partij werd toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 maart 2009 tot aan de dag van volledige voldoening. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte ambtshalve heeft beslist tot vergoeding van wettelijke rente, aangezien de rente niet was gevorderd door de benadeelde partij.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend voor zover het hof de wettelijke rente toekende en verwerpt het beroep voor het overige. Tevens constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, maar ziet geen aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden gezien de aard van de opgelegde straf en de mate van overschrijding.
De overige middelen van cassatie falen zonder nadere motivering, omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opleveren. De Hoge Raad bevestigt hiermee de noodzaak dat rente slechts wordt toegekend indien deze door de benadeelde partij is gevorderd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het wettelijke rente toekent en verwerpt het cassatieberoep verder.