ECLI:NL:HR:2013:718

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 2013
Publicatiedatum
20 september 2013
Zaaknummer
12/02908
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 36 Invorderingswet 1990Art. 55 lid 1 Invorderingswet 1990
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping cassatie in zaak aansprakelijkheid bestuurder voor belastingschuld

In deze zaak stond de vraag centraal of de eiser, als hoofdelijk aansprakelijke bestuurder, terecht werd aangesproken voor de belastingschuld van de B.V. De rechtbank Groningen en het gerechtshof te Leeuwarden hadden eerder geoordeeld dat de bestuurder aansprakelijk was op grond van de oude Invorderingswet 1990, met name artikel 36 en Pro 55 lid 1.

De eiser stelde zich in cassatie op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden en dat de aansprakelijkheid onterecht was vastgesteld. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep echter verworpen zonder nadere motivering, omdat de klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraken en veroordeelde de eiser tevens in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak werd gedaan door raadsheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp, Drion en uitgesproken door Loth op 20 september 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de eerdere uitspraak inzake aansprakelijkheid bestuurder voor belastingschuld blijft in stand.

Uitspraak

20 september 2013
Eerste Kamer
nr. 12/02908
EV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M. de Boorder,
t e g e n
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/NOORD,
kantoorhoudende te Groningen,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Ontvanger.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 93578/HA ZA 07-386 van de rechtbank Groningen van 18 november 2009;
b. het arrest in de zaak 200.052.260 van het gerechtshof te Leeuwarden van 31 januari 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Ontvanger mede door mr. C.M. Bergman, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaa R.L.H. IJzerman strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 9 juli 2013 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 2.489,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadheer M.A. Loth op
20 september 2013.