Uitspraak
,nummer 41/50
,ingediend door mr. L. Zegveld en mr. B. Vossenberg, beiden advocaat teAmsterdam
,namens:
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
25 juni 2013.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een onherroepelijke veroordeling uit 1950 wegens opzettelijke ongehoorzaamheid in tijd van oorlog, gepleegd door de aanvrager in Nederlands-Indië. De veroordeling was gebaseerd op de toen geldende Wet van 23 juli 1923, die een uitputtende regeling gaf voor erkenning van gewetensbezwaren.
De aanvrager stelde dat nieuwe historische en maatschappelijke inzichten over het Nederlandse militaire optreden in Nederlands-Indië een strafuitsluitingsgrond op basis van ernstige politieke gewetensbezwaren zouden rechtvaardigen. Tevens werd betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden. Dit laatste is tijdens de zitting ingetrokken.
De Hoge Raad oordeelde dat de wet van 1923 uitsluitend gewetensbezwaren erkent die voortvloeien uit de overtuiging dat men een medemens niet mag doden, en dat andere gewetensbezwaren geen strafuitsluitingsgrond vormen. Bovendien kwalificeert een wijziging in maatschappelijke opvattingen over strafwaardigheid niet als een nieuw gegeven voor herziening. De Hoge Raad benadrukte dat eventuele maatschappelijke wensen tot redressie aan politieke en wetgevende organen zijn voorbehouden.
Daarom werd het herzieningsverzoek kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het herzieningsverzoek af en bevestigt de onherroepelijke veroordeling wegens dienstweigering.