ECLI:NL:HR:2013:8

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2013
Publicatiedatum
2 juli 2013
Zaaknummer
11/02386
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 410 SvArt. 416 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring verdachte in hoger beroep wegens ingediende grieven

De verdachte was in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard door het Hof Arnhem omdat zij geen schriftuur houdende grieven had ingediend binnen de gestelde termijn van veertien dagen na het instellen van het hoger beroep. Het hof baseerde dit oordeel mede op het feit dat verdachte niet ter terechtzitting was verschenen en haar raadsman niet gemachtigd was om te pleiten.

In cassatie stelde de verdachte dat haar raadsman wel degelijk een schriftuur houdende grieven had ingediend bij de Rechtbank Arnhem binnen de termijn. Ter onderbouwing werden kopieën van een faxbericht en verzendrapporten overgelegd waaruit blijkt dat op 13 oktober 2010 een schrijven met grieven naar de strafgriffie was verzonden.

De Hoge Raad oordeelde dat deze stukken een ernstig vermoeden wekken dat de schriftuur houdende grieven wel is ingediend. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de niet-ontvankelijkverklaring onterecht was. De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

25 juni 2013
Strafkamer
nr. 11/02386
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 11 februari 2011, nummer 21/003378-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.J.M. Bommer, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het Hof van de verdachte in zijn hoger beroep.
2.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2011 houdt het volgende in:
"De verdachte genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
is niet verschenen.
De voorzitter deelt mede dat de raadsman mr A.J.M. Bommer per fax, gedateerd 11 februari 2011, heeft laten weten dat hij niet ter terechtzitting zal verschijnen, nu hij geen contact meer heeft met zijn cliënte en niet uitdrukkelijk gemachtigd is om het woord ter verdediging te voeren.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worde voortgegaan.
De advocaat-generaal vordert dat verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416 tweede Pro lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar hoger beroep.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.
(...)
De voorzitter spreekt het arrest uit:
De verdachte heeft niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, ingediend. Ook heeft zij niet ter terechtzitting in hoger beroep mondeling de bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. Daarom zal verdachte, gelet op artikel 416 tweede Pro lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."
2.3.
In het middel wordt gesteld dat namens de verdachte binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Arnhem van 29 september 2010 door haar raadsman een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410 Sv Pro is ingediend bij de Rechtbank Arnhem. Ter staving van deze stelling zijn aan de cassatieschriftuur kopieën gehecht van:
(i) een schrijven van 13 oktober 2010 van mr. A.J.M. Bommer, gericht aan de strafgriffie van de Rechtbank Arnhem. Dit schrijven houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:
"Hierbij deel ik u de grieven mee.
Verdachte is het niet eens met de onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zij acht een voorwaardelijke gevangenisstraf meer passend.
In ieder geval is de opgelegde gevangenisstraf te zwaar.
Tenslotte is ten onrechte een schadevergoeding aan de benadeelde partij toegekend."
(ii) een "verzend controle rapport" waaruit kan worden afgeleid dat het onder (i) bedoelde schrijven op 13 oktober 2010 om 21.42 uur per fax is verzonden naar het faxnummer van de strafgriffie van de Rechtbank Arnhem;
(iii) een journaaloverzicht van het faxapparaat van het kantoor van de raadsman waaruit kan worden afgeleid dat op 13 oktober 2010 om 21.42 uur een faxbericht is verzonden naar het faxnummer van de strafgriffie van de Rechtbank Arnhem met als "result" de vermelding: "OK".
2.4.
Het Hof heeft mede op de grond dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, de verdachte op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. De inhoud van de onder 2.3 genoemde stukken biedt evenwel grond voor het ernstige vermoeden dat namens de verdachte een schriftuur houdende grieven is ingediend. Op grond hiervan moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat een dergelijke schriftuur wel is ingediend.
2.5.
Het middel slaagt.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op
25 juni 2013.