Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
25 juni 2013.
Hoge Raad
De verdachte was in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard door het Hof Arnhem omdat zij geen schriftuur houdende grieven had ingediend binnen de gestelde termijn van veertien dagen na het instellen van het hoger beroep. Het hof baseerde dit oordeel mede op het feit dat verdachte niet ter terechtzitting was verschenen en haar raadsman niet gemachtigd was om te pleiten.
In cassatie stelde de verdachte dat haar raadsman wel degelijk een schriftuur houdende grieven had ingediend bij de Rechtbank Arnhem binnen de termijn. Ter onderbouwing werden kopieën van een faxbericht en verzendrapporten overgelegd waaruit blijkt dat op 13 oktober 2010 een schrijven met grieven naar de strafgriffie was verzonden.
De Hoge Raad oordeelde dat deze stukken een ernstig vermoeden wekken dat de schriftuur houdende grieven wel is ingediend. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de niet-ontvankelijkverklaring onterecht was. De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.