Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Beoordeling van het zesde middel
5.Beoordeling van de middelen voor het overige
6.Slotsom
7.Beslissing
1 oktober 2013.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk doen van onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting namens [A] BV en [B] BV als fiscale eenheid in de periode van oktober 2003 tot januari 2006. De aangiften betroffen meerdere tijdvakken waarin onjuiste omzet en te hoge voorbelasting waren opgegeven, waardoor te weinig belasting werd geheven. De verdachte zou feitelijke leiding hebben gegeven aan deze verboden gedragingen.
In cassatie werd onder meer betoogd dat het hof zijn oordeel onvoldoende had gemotiveerd en dat de fiscale eenheid niet correct was vastgesteld. De Hoge Raad las de bewezenverklaring verbeterd en bevestigde dat de verdachte medepleger was van de onjuiste aangiften namens de fiscale eenheid. Het hof had voldoende bewijsmiddelen om het verweer te weerleggen.
Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in het EVRM in de cassatiefase was overschreden door late aanlevering van stukken door het hof. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijftien naar veertien maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen en de rest van het arrest bleef in stand.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot veertien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep is verder verworpen.