Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
1 oktober 2013.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag. De verdachte verzocht het hof om twee verbalisanten als getuigen te horen over aanvullend onderzoek, maar dit verzoek werd afgewezen wegens gebrek aan noodzaak. De Hoge Raad toetste deze afwijzing en oordeelde dat het hof de juiste maatstaf heeft toegepast, namelijk dat een nieuw of herhaald verzoek tot het horen van getuigen na schorsing van het onderzoek alleen kan worden gehonoreerd indien de noodzaak daarvan blijkt.
Daarnaast stelde de verdachte dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden in de cassatiefase, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad pas na meer dan twee jaar uitspraak deed. De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond en besloot de opgelegde gevangenisstraf te verminderen van zes jaar naar vijf jaar en zes maanden.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd bevestigd dat de strafoplegging in de kern juist was, maar dat de termijnoverschrijding een strafvermindering rechtvaardigde.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van zes jaar naar vijf jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het getuigenverzoek wordt terecht afgewezen.