Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.Beslissing
4 oktober 2013.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof te ’s-Gravenhage. De man heeft geen verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het verzoekschrift geen klachten bevat tegen de bestreden beschikking, zoals vereist volgens art. 426a lid 2 Rv.
De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep. Tevens is geoordeeld dat er geen grond bestaat voor een proceskostenveroordeling ten laste van de man.
De uitspraak benadrukt het belang van het indienen van klachten tegen het bestreden besluit in cassatieprocedures om ontvankelijk te zijn. De beschikking van het hof en de eerdere beschikking van de rechtbank zijn als uitgangspunt genomen, maar de Hoge Raad beperkt zich tot de ontvankelijkheidsvraag.
De beslissing is genomen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp en De Groot en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Loth op 4 oktober 2013.
Uitkomst: De vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens het ontbreken van klachten tegen de bestreden beschikking.