Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2013:914

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2013
Publicatiedatum
11 oktober 2013
Zaaknummer
13/03421
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 350 lid 3 onder c FwArt. 350 lid 3 onder d FwArt. 350 lid 3 onder e Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang bij tussentijdse beëindiging WSNP

In deze zaak staat de tussentijdse beëindiging van een schuldsaneringsregeling zonder toekenning van een schone lei centraal. De verzoeker heeft tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld. De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO).

De Hoge Raad verwijst naar het vonnis van de rechtbank Noord-Holland en het arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling is bevestigd. In cassatie wordt overwogen dat de aangevoerde klachten geen behandeling rechtvaardigen omdat de verzoeker onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Gelet op artikel 80a RO en het advies van de Procureur-Generaal verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Hiermee wordt bevestigd dat tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei niet kan worden aangevochten in cassatie indien onvoldoende belang bestaat.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang.

Uitspraak

11 oktober 2013
Eerste Kamer
nr. 13/03421
RM/GB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer R 15/12/210 van de rechtbank Noord-Holland van 23 april 2013;
b. het arrest in de zaak 200.126.017/01 van het gerechtshof Amsterdam van 4 juli 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.B. Bakels op
11 oktober 2013.