3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Verweerster 1] huurt van [verweerders 2 t/m 4] meerdere panden.
In deze panden, alle gelegen te Amsterdam, wordt het prostitutiebedrijf uitgeoefend. [Verweerster 1] verhuurt daartoe kamers in de panden (per "raam") aan prostituees.
(ii) [Verweerders 2 t/m 4] zijn sinds 9 januari 2007 eigenaar van het pand [a-straat 1] te Amsterdam (hierna: het pand).
(iii) Blijkens een door [verweerster 1] en [verweerders 2 t/m 4] op 22 november 2006 ondertekende "toevoeging huurcontract d.d. 1-1-2005" is het pand "per datum verlening prostitutievergunning" toegevoegd aan de reeds bestaande huurovereenkomst tussen partijen. De huurprijs voor het pand bedraagt volgens deze "toevoeging huurcontract" € 1.627,50 per week.
(iv) [Verweerster 1] heeft op 28 november 2006 bij de Gemeente een exploitatievergunning voor de uitoefening van een prostitutiebedrijf in het pand aangevraagd.
(v) Bij brief van 21 februari 2007 heeft de burgemeester [verweerster 1] ervan op de hoogte gesteld dat hij, ter beoordeling van de aanvraag, op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) advies bij het Landelijk Bureau Bibob heeft aangevraagd.
(vi) Bij brief van 30 mei 2007 heeft [verweerster 1] bij de burgemeester bezwaar gemaakt wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Daarbij heeft zij de Gemeente aansprakelijk gesteld voor alle schade veroorzaakt door het niet tijdig beslissen op de aanvraag.
(vii) Op 22 juni 2007 heeft [verweerster 1] de voorzieningenrechter te Amsterdam verzocht de Gemeente te bevelen binnen veertien dagen na de uitspraak een besluit op de aanvraag te nemen, op straffe van een dwangsom.
(viii) Bij uitspraak van 11 juli 2007 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de beslistermijn van art. 1.5, eerste lid, van de Algemene Politie Verordening (APV) op 19 april 2007 was verstreken. Aangezien de burgemeester deze termijn niet heeft opgeschort op de voet van art. 1.5, tweede lid, van de APV en derhalve binnen een termijn van zestien weken op de aanvraag van [verweerster 1] had moeten beslissen, heeft de rechter de voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat de burgemeester uiterlijk op 27 juli 2007 op de aanvraag van [verweerster 1] diende te beslissen.
(ix) Bij besluit van 19 juli 2007 heeft de burgemeester het bezwaar wegens fictieve weigering van de aanvraag gegrond verklaard. Daarbij is tevens een proceskostenvergoeding aan [verweerster 1] toegewezen.
(x) Op 20 juli 2007 heeft de Gemeente [verweerster 1] het voornemen kenbaar gemaakt de aanvraag te weigeren op grond van slecht levensgedrag in de zin van de APV.
[Verweerster 1] heeft tegen dit voornemen een zienswijze ingebracht.
(xi) Op 25 juli 2007 heeft de burgemeester het advies van het Landelijk Bureau Bibob ontvangen. Naar aanleiding hiervan heeft de burgemeester op 27 juli 2007 [verweerster 1] in de gelegenheid gesteld het advies in te zien. In de desbetreffende brief heeft de burgemeester aangekondigd dat, na ontvangst van de zienswijze van [verweerster 1], dan wel van de schriftelijke bevestiging van geen inzage, uiterlijk binnen twee weken een beslissing op de aanvraag zal worden genomen. [Verweerster 1] heeft tegen deze termijn geen bezwaar gemaakt.
(xii) [Verweerster 1] heeft het Bibob-advies ingezien en vervolgens een zienswijze bij de Gemeente ingediend.
(xiii) Bij besluit van 4 september 2007 heeft de burgemeester een exploitatievergunning voor de uitoefening van een prostitutiebedrijf in het pand aan [verweerster 1] verleend. De vergunning is verleend voor een bepaalde periode, met als einddatum 1 oktober 2008.
Voor deze termijn is gekozen, zo vermeldt het besluit, "daar besluitvorming niet langer kon uitblijven, maar nader onderzoek dan wel verificatie van passages uit het Bibob-advies wel dient plaats te vinden."
(xiv) [Verweerders 2 t/m 4] hebben de Gemeente bij brief van 13 maart 2008 wederom aansprakelijk gesteld voor de schade die door overschrijding van de beslistermijn is ontstaan.