Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2013:BY2638

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/00917
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54i lid 4 Ow
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bepaalt zekerheidstelling bij voorschot schadeloosstelling onteigening

In deze zaak gaat het om de onteigening van een perceelsgedeelte van eiser door het Waterschap Hollandse Delta. Het Waterschap had een schadeloosstelling van €9.190,-- aangeboden en verzocht om vervroegde onteigening met zekerheidstelling voor de schadeloosstelling. De rechtbank Rotterdam sprak de vervroegde onteigening uit en bepaalde een voorschot op de schadeloosstelling van 90% van het aanbod, maar stelde geen zekerheid vast omdat eiser dit niet had verlangd.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd. Op grond van artikel 54i lid 4 van de Onteigeningswet is de rechter verplicht een som als zekerheid te bepalen, ook als de onteigende partij daar niet om verzoekt. De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank voor zover geen zekerheid is bepaald.

De Hoge Raad stelt zelf een zekerheid van €919,-- vast, zijnde het verschil tussen het aangeboden bedrag en het voorschot. Tevens beslist de Hoge Raad dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Hiermee wordt de rechtspositie van de onteigende partij versterkt door de verplichte zekerheidstelling bij voorschot schadeloosstelling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis voor het niet bepalen van zekerheid en stelt zelf een zekerheid van €919,-- vast.

Uitspraak

8 februari 2013
Eerste Kamer
12/00917
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. W.J. Bosma,
t e g e n
de publiekrechtelijke rechtspersoon WATERSCHAP HOLLANDSE DELTA,
zetelende te Ridderkerk,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en het Waterschap.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak 392535/HA ZA 11-2198 van de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2012.
Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen het Waterschap is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, doch uitsluitend voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten de in de conclusie bedoelde zekerheid te bepalen. Voorts strekt de conclusie ertoe dat de Hoge Raad zal bepalen dat het Waterschap voor een bedrag van € 919,-- zekerheid zal stellen voor de aan [eiser] toekomende schadeloosstelling door dit bedrag te storten op de derdengeldrekening van een door [eiser] aan te wijzen notaris.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij Koninklijk Besluit van 19 september 2011 is krachtens art. 62 Ow Pro onder meer ter onteigening aangewezen een gedeelte groot 0.10.92 ha van het aan [eiser] toebehorende perceel kadastraal bekend gemeente Ridderkerk, sectie [A], nummer [001].
(ii) Het Waterschap heeft gevorderd bij vervroeging de onteigening van genoemd perceelsgedeelte uit te spreken, met bepaling van een som als zekerheid voor de voldoening van de schadeloosstelling alsmede van de wijze waarop de zekerheidstelling zal plaatsvinden. Het Waterschap heeft daarbij aan [eiser] een schadeloosstelling aangeboden van € 9.190,--.
(iii) [Eiser] heeft zich ten aanzien van de verzochte onteigening gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar heeft het aanbod met betrekking tot de schadeloos-stelling verworpen.
(iv) De rechtbank heeft bij vonnis van 18 januari 2012 de vervroegde onteigening uitgesproken en op de voet van art. 54i Ow het voorschot op de schadeloosstelling bepaald op 90% van het door het Waterschap aangeboden bedrag van € 9.190,--, zijnde € 8.271,--. De rechtbank heeft overwogen dat zij geen zekerheid zal bepalen nu [eiser] geen zekerheid heeft verlangd. (rov. 4.8)
3.2 Het middel, dat klaagt dat de rechtbank in rov. 4.8 heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, slaagt.
De rechtbank heeft miskend dat art. 54i lid 4 Ow imperatief is geformuleerd. Het artikel houdt, voor zover thans van belang, in dat de rechtbank voor de onteigende partij een som als zekerheid bepaalt voor de voldoening van de verschuldigde schadeloosstelling. Mede gelet op de wetsgeschiedenis van dit artikel, waarin wordt vermeld dat zekerheidstelling op constitutionele gronden niet kan worden beperkt tot de gevallen waarin de onteigende partij daarom verzoekt (Kamerstukken II 1970/71, 10 590, nr. 5, blz. 18), heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat zij geen zekerheid zal bepalen nu [eiser] daarom niet heeft verzocht.
3.3 Het bestreden vonnis dient derhalve te worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft nagelaten de hiervoor bedoelde zekerheid te bepalen. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door alsnog een som als zekerheid te bepalen. Ingevolge art. 54i lid 4 Ow wordt die som ingeval daaromtrent tussen partijen geen overeenstemming is bereikt, bepaald op tenminste het bedrag dat is aangeboden, verminderd met het voorschot. De Hoge Raad zal de som bepalen op € 919,-- (€ 9.190,-- minus € 8.271,--).
3.4 De Hoge Raad ziet aanleiding met betrekking tot de kosten te beslissen als hierna vermeld.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2012, doch uitsluitend voor zover daarin niet de hiervoor in 3.3 bedoelde zekerheid is bepaald;
bepaalt dat het Waterschap voor een bedrag van € 919,-- zekerheid zal stellen voor de aan [eiser] toekomende schadeloosstelling door dit bedrag te storten op de derdengeldrekening van een door [eiser] aan te wijzen notaris;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 8 februari 2013.