ECLI:NL:HR:2013:BY2814
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijsuitsluiting bij vormverzuimen rond DNA-onderzoek in strafzaak
In deze zaak stond de vraag centraal of vermeende vormverzuimen bij de afname, bewaring en vernietiging van DNA-materiaal in een eerdere verkrachtingszaak aanleiding konden geven tot bewijsuitsluiting in een latere strafzaak. De verdediging stelde dat het DNA-profiel van verdachte onrechtmatig in de databank was opgenomen en dat het onderzoeksmateriaal daarom niet als bewijs mocht dienen.
De Hoge Raad benadrukte dat een dergelijk vormverzuim, zelfs indien juist, niet automatisch leidt tot bewijsuitsluiting volgens artikel 359a Wetboek van Strafvordering. Buiten dit artikel is bewijsuitsluiting slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde, namelijk wanneer een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in ernstige mate is geschonden.
Verder overwoog de Hoge Raad dat de rechter in sommige gevallen kan volstaan met een oordeel dat de gestelde feiten, zelfs indien juist, niet leiden tot bewijsuitsluiting, zonder nader onderzoek naar de feitelijke juistheid van die stellingen. Ook als de betrouwbaarheid van het onderzoeksmateriaal wezenlijk wordt beïnvloed, kan het materiaal buiten beschouwing worden gelaten.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de verdediging en bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat er geen noodzaak was tot aanhouding van de zaak of bewijsuitsluiting. Het arrest bevestigt de restrictieve benadering van bewijsuitsluiting bij vormverzuimen buiten artikel 359a Sv.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; bewijsuitsluiting wegens vormverzuimen wordt niet toegewezen.