ECLI:NL:HR:2013:BY6313
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Nietigheid vrijwaringsverklaring en toerekenbaar tekortschieten bank in effectenportefeuille
De zaak betreft een geschil tussen een belegger en Staalbankiers over een effectenportefeuille en een vrijwaringsverklaring die door de belegger is ondertekend. De belegger vordert nietigheid van deze verklaring wegens strijd met dwingendrechtelijke bepalingen in de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 en schadevergoeding wegens toerekenbaar tekortschieten van de bank.
De feiten betreffen onder meer een dekkingstekort in de portefeuille, afspraken over zekerheden, en een vrijwaringsverklaring waarin de belegger afstand doet van bescherming en claims tegen de bank. De rechtbank en het hof wijzen de vorderingen af, waarbij het hof oordeelt dat de afstand van claims die betrekking hebben op het verleden rechtsgeldig is.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat hoewel de effecteninstelling verplicht is de dwingendrechtelijke voorschriften na te leven, de cliënt wel afstand kan doen van vorderingen die voortvloeien uit het niet naleven daarvan in het verleden. Het principale cassatieberoep wordt verworpen en het incidentele beroep behoeft geen behandeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vrijwaringsverklaring wordt als geldig bevestigd voor afstand van vorderingen over het verleden.