ECLI:NL:HR:2013:BY7636
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in zaak tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling
In deze zaak stond de tussentijdse beëindiging van een schuldsaneringsregeling (WSNP) centraal. Verzoeker had tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen van de rechtbank Haarlem en het arrest van het hof.
De Procureur-Generaal stelde zich op het standpunt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard moest worden op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO). De Hoge Raad volgde dit standpunt omdat verzoeker klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden.
Na afweging van de ontvankelijkheid verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2013.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.