ECLI:NL:HR:2013:BY7636

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/05195
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 350 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in zaak tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling

In deze zaak stond de tussentijdse beëindiging van een schuldsaneringsregeling (WSNP) centraal. Verzoeker had tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen van de rechtbank Haarlem en het arrest van het hof.

De Procureur-Generaal stelde zich op het standpunt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard moest worden op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO). De Hoge Raad volgde dit standpunt omdat verzoeker klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden.

Na afweging van de ontvankelijkheid verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Uitspraak

1 februari 2013
Eerste Kamer
12/05195
EE/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak met het insolventienummer R 679/2011 van de rechtbank Haarlem van 6 september 2011 en 28 augustus 2012;
b. het arrest in de zaak 200.112.663/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 1 november 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal L. Timmerman strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2).
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 1 februari 2013.