ECLI:NL:HR:2013:BY7886
Hoge Raad
- Cassatie
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Salduz-verweer en consultatierecht verdachte in strafzaak
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 22 januari 2013 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem. De zaak betreft een verdachte die in hoger beroep aanvoert dat hij niet voldoende is gewezen op zijn recht om voorafgaand aan het politieverhoor een advocaat te consulteren, in strijd met de Salduz-jurisprudentie. De verdediging stelt dat de verdachte niet uit vrije wil heeft gekozen om geen gebruik te maken van dit recht, omdat hij in het proces-verbaal is geïnformeerd dat hij in verzekering zou worden gesteld indien hij gebruik zou maken van zijn consultatierecht. Het Hof heeft echter geoordeeld dat de verdachte uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht op consultatie van een advocaat, en dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is.
De Hoge Raad herhaalt in zijn overwegingen de relevante jurisprudentie en bevestigt dat de verdachte voorafgaand aan het verhoor gewezen moet worden op zijn recht op rechtsbijstand. De Hoge Raad concludeert dat het Hof voldoende heeft onderzocht of de verdachte op de juiste wijze is geïnformeerd over zijn rechten en dat de afstand van het consultatierecht niet onterecht is vastgesteld. De Hoge Raad verwerpt het beroep van de verdachte, maar constateert dat er in de cassatiefase sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn, zonder dat hier rechtsgevolgen aan worden verbonden. De uitspraak benadrukt het belang van het consultatierecht en de noodzaak voor een verdachte om goed geïnformeerd te zijn over zijn rechten tijdens het politieverhoor.