ECLI:NL:HR:2013:BY9713
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- V. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt cassatieberoep wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs van opzet
In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het in hulpeloze toestand brengen of laten van een persoon, zoals bedoeld in artikel 255 Sr Pro. Het Gerechtshof Amsterdam had in het bestreden arrest geoordeeld dat dit niet wettig en overtuigend was bewezen. De Advocaat-Generaal stelde een middel van cassatie voor, stellende dat het bewijs wel toereikend was.
De Hoge Raad heeft het middel van cassatie beoordeeld en geoordeeld dat het middel niet tot cassatie kan leiden op de gronden die in de conclusie van de Advocaat-Generaal zijn vermeld. De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van het Hof dat het bewijs onvoldoende is om (voorwaardelijk) opzet aan te nemen.
De raadsman van de verdachte heeft het beroep tegengesproken, en de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft het beroep uiteindelijk verworpen en het arrest van het Gerechtshof bekrachtigd.
Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken op 5 februari 2013. Hiermee blijft het vonnis van het Gerechtshof ongewijzigd in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof wordt bekrachtigd wegens onvoldoende bewijs van opzet.