ECLI:NL:HR:2013:BZ0508
Hoge Raad
- Herziening
- A.J.A. van Dorst
- J.P. Balkema
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag tot herziening wegens ontbreken ernstig vermoeden nieuwe feiten
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank Arnhem uit 1996, waarbij de aanvrager werd veroordeeld voor ontucht met zijn minderjarige dochter.
De aanvrager voerde aan dat het slachtoffer, zijn dochter, zich niets meer herinnert van de gepleegde ontucht, wat volgens hem een ernstig vermoeden oplevert dat de veroordeling onterecht was. Ter onderbouwing werd een handgeschreven verklaring van het slachtoffer overgelegd waarin zij verklaart dat haar vader ten onrechte is veroordeeld.
De Hoge Raad oordeelt dat het enkel ontbreken van herinneringen bij het slachtoffer niet voldoet aan de strenge criteria van art. 457 lid 1 sub c Sv Pro voor herziening. Er is geen nieuw, door bescheiden gestaafd gegeven dat een ernstig vermoeden van onschuld wekt. Daarom is de aanvraag kennelijk ongegrond en wordt deze afgewezen.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Dorst als voorzitter en de raadsheren Balkema en Ilsink, en uitgesproken op 5 februari 2013.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens het ontbreken van een ernstig vermoeden dat de veroordeling onterecht was.