ECLI:NL:HR:2013:BZ1411
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid bewindvoerder na beëindiging schuldsanering en opmaken slotuitdelingslijst
In deze zaak stond centraal de bevoegdheid van de bewindvoerder na het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak tot beëindiging van de schuldsanering met schone lei. De schuldsaneringsregeling was op verzoeker van toepassing verklaard en later beëindigd, maar er liepen nog procedures omtrent een mogelijk paulianeuze verkoop van zijn woning aan zijn vader en andere vorderingen behorende tot de boedel.
De bewindvoerder had toestemming gekregen van de rechter-commissaris om een schikking te treffen met de vader van verzoeker over deze vorderingen, ondanks dat de schuldsanering formeel was beëindigd. Verzoeker betwistte deze bevoegdheid en stelde dat na het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak de bewindvoerder slechts de slotuitdelingslijst onverwijld mocht opmaken en geen verdere rechtshandelingen mocht verrichten.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 356 lid 1 Faillissementswet Pro weliswaar voorschrijft dat de slotuitdelingslijst onverwijld moet worden opgemaakt, maar dat dit niet uitsluit dat de bewindvoerder bevoegd blijft om baten te innen en schikkingen te treffen zolang de slotuitdelingslijst nog niet is opgemaakt. De belangen van schuldeisers bij een goede afwikkeling van de boedel wegen zwaarder dan het nadeel voor verzoeker van een vertraagde afwikkeling. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bevoegdheid van de bewindvoerder onder de gegeven omstandigheden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de bewindvoerder na het in kracht van gewijsde gaan van de uitspraak bevoegd blijft tot inning van baten en het treffen van schikkingen.