ECLI:NL:HR:2013:BZ1449

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/03165
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 359a SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling redelijke termijn en strafoplegging bij medeplegen oplichting en witwassen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van oplichting en witwassen. Het hof stelde vast dat de redelijke termijn voor de behandeling in hoger beroep met ongeveer vijf maanden was overschreden. Hoewel het hof deze overschrijding erkende, heeft het nagelaten de straf te verminderen zoals voorgeschreven in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

De Hoge Raad oordeelt dat deze nalatigheid niet tot cassatie hoeft te leiden, mede omdat de Hoge Raad de zaak binnen negen maanden in cassatie afdoet. Het hof had de strafoplegging gemotiveerd met een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend geacht gelet op de ernst van de feiten, vergelijkbare zaken en het tijdsverloop.

Het cassatieberoep richtte zich ook tegen het ontbreken van een motivering over welke straf het hof zonder de overschrijding zou hebben opgelegd. De Hoge Raad verwerpt dit middel omdat het geen aanleiding geeft tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad bevestigt daarmee de strafoplegging en de afhandeling van de redelijke termijnkwestie door het hof, en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

19 februari 2013
Strafkamer
nr. S 12/03165
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 16 mei 2012, nummer 21/004997-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft primair geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof bij de motivering van de opgelegde straf heeft nagelaten aan te geven welke straf het zonder overschrijding van de redelijke termijn zou hebben opgelegd.
2.2.1. Het Hof heeft de verdachte ter zake van 1. en 2. telkens "medeplegen van oplichting" en 3. "medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met beslissingen omtrent het beslag als in het arrest omschreven.
2.2.2. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in
- onder "Redelijke termijn":
"Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman aangevoerd dat de berechting van verdachte in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM en dat deze schending een grond is voor strafvermindering ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Ten aanzien van de redelijke termijn in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de behandeling van de strafzaak dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren na het moment dat verdachte hoger beroep heeft ingesteld. Verdachte heeft op 24 december 2009 hoger beroep ingesteld. De inhoudelijke behandeling van de zaak tegen verdachte in hoger beroep stond gepland op 31 januari 2011. De zaak is toen voor onbepaalde tijd aangehouden, teneinde het dossier aan te vullen. De berechting in hoger beroep heeft derhalve enkele maanden langer geduurd dan nodig is geweest. Deze vertraging is deels te wijten aan het incomplete dossier dat moest worden aangevuld. Het hof zal hiermee rekening houden bij de strafoplegging."
- onder "Strafoplegging":
"(...)
Alles overwegende is het hof van oordeel dat, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de straftoemeting in vergelijkbare zaken en het tijdsverloop van de zaak in hoger beroep, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk passend en geboden is."
2.3. Het hoger beroep is ingesteld op 24 december 2009. Het bestreden arrest is uitgesproken op 16 mei 2012. In de hiervoor in 2.2.2 weergegeven overwegingen ligt als oordeel van het Hof besloten dat bij de berechting van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden met ongeveer vijf maanden. Het Hof heeft echter verzuimd in verband met die overschrijding de straf te verminderen. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden nu de Hoge Raad de zaak binnen negen maanden in cassatie afdoet. Hierop stuit het middel af.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 19 februari 2013.