ECLI:NL:HR:2013:BZ1449
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- N. Jörg
- V. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn en strafoplegging bij medeplegen oplichting en witwassen
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van oplichting en witwassen. Het hof stelde vast dat de redelijke termijn voor de behandeling in hoger beroep met ongeveer vijf maanden was overschreden. Hoewel het hof deze overschrijding erkende, heeft het nagelaten de straf te verminderen zoals voorgeschreven in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad oordeelt dat deze nalatigheid niet tot cassatie hoeft te leiden, mede omdat de Hoge Raad de zaak binnen negen maanden in cassatie afdoet. Het hof had de strafoplegging gemotiveerd met een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend geacht gelet op de ernst van de feiten, vergelijkbare zaken en het tijdsverloop.
Het cassatieberoep richtte zich ook tegen het ontbreken van een motivering over welke straf het hof zonder de overschrijding zou hebben opgelegd. De Hoge Raad verwerpt dit middel omdat het geen aanleiding geeft tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad bevestigt daarmee de strafoplegging en de afhandeling van de redelijke termijnkwestie door het hof, en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk.