ECLI:NL:HR:2013:BZ1477
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voorlopige machtiging opname psychiatrisch ziekenhuis ondanks afwijking DSM IV
In deze zaak ging het om een verzoek tot voorlopige machtiging voor opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 2 van Pro de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De rechtbank 's-Hertogenbosch verleende de machtiging voor zes maanden, mede gebaseerd op een geneeskundige verklaring waarin een lichte verstandelijke handicap en middelenmisbruik werden vastgesteld.
De rechtbank nam daarnaast een stoornis aan die niet in de DSM IV was opgenomen, namelijk een gebrekkige sociaal-emotionele ontwikkeling in combinatie met een zwak normbesef, die de recidiverende criminaliteit van betrokkene verklaarde. Betrokkene stelde in cassatie dat deze stoornis niet als zodanig erkend mocht worden omdat deze niet in de DSM IV stond vermeld.
De Hoge Raad oordeelde dat de Wet Bopz onder een stoornis van de geestvermogens een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis verstaat en dat het niet vereist is dat deze stoornis in de DSM IV is opgenomen. De rechtbank had dus geen onjuiste rechtsopvatting gegeven door de stoornis aan te nemen ondanks het ontbreken in de DSM IV.
De overige klachten van betrokkene werden niet nader gemotiveerd behandeld omdat deze geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de voorlopige machtiging tot opname.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de voorlopige machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis.