ECLI:NL:HR:2013:BZ1477

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
13/00256
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 1 Wet BopzArt. 2 Wet BopzArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt voorlopige machtiging opname psychiatrisch ziekenhuis ondanks afwijking DSM IV

In deze zaak ging het om een verzoek tot voorlopige machtiging voor opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 2 van Pro de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De rechtbank 's-Hertogenbosch verleende de machtiging voor zes maanden, mede gebaseerd op een geneeskundige verklaring waarin een lichte verstandelijke handicap en middelenmisbruik werden vastgesteld.

De rechtbank nam daarnaast een stoornis aan die niet in de DSM IV was opgenomen, namelijk een gebrekkige sociaal-emotionele ontwikkeling in combinatie met een zwak normbesef, die de recidiverende criminaliteit van betrokkene verklaarde. Betrokkene stelde in cassatie dat deze stoornis niet als zodanig erkend mocht worden omdat deze niet in de DSM IV stond vermeld.

De Hoge Raad oordeelde dat de Wet Bopz onder een stoornis van de geestvermogens een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis verstaat en dat het niet vereist is dat deze stoornis in de DSM IV is opgenomen. De rechtbank had dus geen onjuiste rechtsopvatting gegeven door de stoornis aan te nemen ondanks het ontbreken in de DSM IV.

De overige klachten van betrokkene werden niet nader gemotiveerd behandeld omdat deze geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de voorlopige machtiging tot opname.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de voorlopige machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis.

Uitspraak

12 april 2013
Eerste Kamer
13/00256
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
OFFICIER VAN JUSTITIE TE 'S-HERTOGENBOSCH,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 252910/FA RK 12-5019 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 oktober 2012.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De officier van justitie heeft de rechtbank op 21 september 2012 verzocht op de voet van art. 2 Wet Pro Bopz een voorlopige machtiging te verlenen tot opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.
(ii) Bij het verzoekschrift was een op 14 september 2012 ondertekende geneeskundige verklaring gevoegd van een niet bij de behandeling betrokken psychiater (hierna: de psychiater). In die verklaring was in antwoord op de vraag: "Tot welke diagnose bent u gekomen op basis van uw onderzoek?" vermeld: "Lichte verstandelijke handicap bij een man met middelen misbruik (cocaïne, cannabis).
Het middelen misbruik is in huidige context in remissie".
3.2 De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 11 oktober 2012. Bij beschikking van 12 oktober 2012 heeft de rechtbank een voorlopige machtiging voor de duur van zes maanden verleend. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen:
"De geneeskundige verklaring maakt melding van de diagnose stoornis door gebruik van middelen en een licht verstandelijke handicap. Ter zitting hebben de behandelend psycholoog [betrokkene 1] en de AVG tevens eerste geneeskundige [betrokkene 2] erop gewezen, dat niet de verstandelijke handicap maar de zeer gebrekkige sociaal emotionele ontwikkeling van betrokkene doet veroorzaken dat hij bijna zeker weer zal vervallen in veelvuldig crimineel gedrag. Deze aanlegstoornis beheerst het recidiverend crimineel gedrag van betrokkene. Hoewel de psychiater deze stoornis niet in de geneeskundige verklaring benoemt als een diagnose maar wel uitdrukkelijk wijst op de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkelings-achterstand in combinatie met een zwak normbesef en in verband brengt met de recidiverende verwervings criminaliteit, neemt de rechtbank aan dat hier sprake is van een stoornis als bedoeld in de BOPZ."
3.3 Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat de rechtbank ten onrechte een stoornis van de geestvermogens heeft aangenomen. De psychiater was voor zijn diagnose gebonden aan de diagnostische criteria zoals vermeld in de DSM IV. De door de rechtbank aangenomen stoornis is niet in de DSM IV vermeld en kan daarom volgens de klacht niet gelden als een stoornis in de zin van de Wet Bopz.
3.4 Met de DSM IV doelt het onderdeel op de 'Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders' (DSM), vierde versie, van de American Psychiatric Association voor diagnose en statistiek van psychiatrische aandoeningen.
3.5 Voor de toepassing van de Wet Bopz wordt volgens art. 1 lid Pro 1, aanhef en onder d, van die wet onder een stoornis van de geestvermogens verstaan: een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Geen rechtsregel brengt mee dat een stoornis van de geestvermogens in de zin van deze bepaling slechts kan worden aangenomen indien die is omschreven in de DSM IV. De rechtbank heeft dan ook niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in het hiervoor in 3.2 bedoelde oordeel niet beslissend te achten of betrokkene leed aan een stoornis van de geestvermogens die was vermeld in de DSM IV.
3.6 Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 april 2013.