ECLI:NL:HR:2013:BZ1520
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De Hoge Raad beoordeelt onder meer de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, waarbij de stukken te laat door het hof werden ingezonden.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, met vermindering daarvan, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad volgt dit advies en vernietigt de strafduur, vermindert deze van negen jaar naar acht jaar en zes maanden, en verwerpt het beroep voor het overige.
De overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld doordat meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep en de late aanlevering van stukken door het hof. De Hoge Raad acht dit voldoende reden voor strafvermindering.
Er zijn geen andere gronden voor vernietiging van het arrest. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 19 februari 2013.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot acht jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.