ECLI:NL:HR:2013:BZ1704
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij beschermingsmaatregelen minderjarigen met verblijf in VK
In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is om beschermingsmaatregelen te treffen ten aanzien van minderjarigen die hun gewone verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk hebben. De zaak betrof een geschil tussen ouders woonachtig in het Verenigd Koninkrijk en de Raad voor de Kinderbescherming regio Amsterdam en Gooi en Vechtstreek.
De procedure begon bij de rechtbank Amsterdam, waarna het gerechtshof Amsterdam de zaak behandelde. De ouders stelden beroep in cassatie in tegen de beschikking van het hof van 8 mei 2012. De Raad voor de Kinderbescherming trad op als verweerder in cassatie maar diende geen verweerschrift in.
De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in spoedeisende gevallen op grond van artikel 20 van Pro Verordening Brussel II-bis in verbinding met artikel 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het beroep werd verworpen en de beschikking van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de ouders wordt verworpen en de Nederlandse rechter blijft bevoegd in spoedeisende beschermingsmaatregelen.