ECLI:NL:HR:2013:BZ1950
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen van cassatie
In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De verdachte heeft echter niet binnen de in artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Hoge Raad heeft dit oordeel gevolgd en het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de Hoge Raad niet inhoudelijk op de zaak is ingegaan.
Het arrest is gewezen door de vice-president van de Hoge Raad, W.A.M. van Schendel, samen met de raadsheren Y. Buruma en J. Wortel, en uitgesproken op 12 februari 2013.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens niet tijdig indienen middelen van cassatie.