ECLI:NL:HR:2013:BZ2898
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofbeslissing over kinderalimentatie bij echtscheiding wegens onbegrijpelijke draagkrachtvergelijking
De man en vrouw zijn in 1992 getrouwd en hebben twee kinderen, een zoon en een dochter. Na echtscheiding woonde de zoon bij de man en de dochter bij de vrouw. De rechtbank had de echtscheiding uitgesproken en de man verplicht tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter.
De vrouw ging in hoger beroep voor een hogere alimentatiebijdrage, terwijl de man een lager bedrag wilde betalen. Het hof stelde een bedrag vast dat hoger was dan de rechtbank had bepaald, maar hield bij de draagkrachtvergelijking geen rekening met de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon die bij de man woonde.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof hiermee een onbegrijpelijke draagkrachtvergelijking heeft gemaakt, omdat de kosten van de zoon niet in aanmerking zijn genomen terwijl partijen het erover eens waren dat deze kosten relevant zijn. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.
De beslissing benadrukt het belang van een juiste en begrijpelijke draagkrachtvergelijking bij het vaststellen van kinderalimentatie, waarbij alle relevante kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen betrokken moeten worden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest wegens onbegrijpelijke draagkrachtvergelijking en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam.