ECLI:NL:HR:2013:BZ2898

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/02367
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofbeslissing over kinderalimentatie bij echtscheiding wegens onbegrijpelijke draagkrachtvergelijking

De man en vrouw zijn in 1992 getrouwd en hebben twee kinderen, een zoon en een dochter. Na echtscheiding woonde de zoon bij de man en de dochter bij de vrouw. De rechtbank had de echtscheiding uitgesproken en de man verplicht tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter.

De vrouw ging in hoger beroep voor een hogere alimentatiebijdrage, terwijl de man een lager bedrag wilde betalen. Het hof stelde een bedrag vast dat hoger was dan de rechtbank had bepaald, maar hield bij de draagkrachtvergelijking geen rekening met de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon die bij de man woonde.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof hiermee een onbegrijpelijke draagkrachtvergelijking heeft gemaakt, omdat de kosten van de zoon niet in aanmerking zijn genomen terwijl partijen het erover eens waren dat deze kosten relevant zijn. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.

De beslissing benadrukt het belang van een juiste en begrijpelijke draagkrachtvergelijking bij het vaststellen van kinderalimentatie, waarbij alle relevante kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen betrokken moeten worden.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest wegens onbegrijpelijke draagkrachtvergelijking en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam.

Uitspraak

5 april 2013
Eerste Kamer
12/02367
MD/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J.C.J. Smallenbroek,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. C.G.A. van Stratum.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 357301/F1 RK 10-1518 van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2011;
b. de beschikking in de zaak 200.093.078.01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 februari 2012.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.
3. Beoordeling van de middelen
3.1In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De man en de vrouw zijn in 1992 met elkaar getrouwd.
(ii) Uit het huwelijk zijn een zoon en een dochter geboren.
(iii) De rechtbank heeft echtscheiding uitgesproken.
De echtscheidingsbeschikking is op 22 september 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
(iv) De zoon woont bij de man, de dochter bij de vrouw.
3.2 In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank ten behoeve van de vaststelling van de door de vrouw en de man te leveren bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon en de dochter - welke kosten volgens de vrouw en de man in totaal € 900,-- per maand bedroegen - overwogen dat de draagkracht van de vrouw een bijdrage van € 285,-- per maand toeliet, en dat de draagkracht van de man een bijdrage van € 838,-- per maand toeliet. Vervolgens heeft de rechtbank de draagkracht aldus verdeeld dat de integrale kosten van de zoon van € 450,-- per maand en een gedeelte van de kosten van de dochter van € 297,-- per maand voor rekening van de man kwamen, en dat een gedeelte van de kosten van de dochter van € 153,-- per maand voor rekening van de vrouw kwam. In aansluiting hierop heeft de rechtbank bepaald dat de man, met ingang van het tijdstip van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter een bedrag van € 297,-- per maand aan de vrouw diende uit te keren.
3.3.1 De vrouw is in hoger beroep gekomen en heeft verzocht - kort gezegd - de door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter met ingang van april 2010 te bepalen op € 567,-- per maand, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag niet lager dan € 297,-- per maand. De man heeft verweer gevoerd en van zijn kant verzocht - kort gezegd - de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter te bepalen op een in goede justitie vast te stellen bedrag niet hoger dan € 297,-- per maand.
3.3.2 Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter als volgt bepaald: (i) voor de periode van 18 juni 2010 tot en met 31 december 2010 op € 402,-- per maand, (ii) voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 oktober 2011 op € 391,-- per maand, en (iii) voor de periode ingaande 1 november 2011 op € 379,-- per maand.
3.4 Middel I klaagt in de eerste plaats dat het hof heeft verzuimd om bij de berekening van de draagkracht van de man (in rov. 11-18) rekening te houden met de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon, die deel uitmaakt van het huishouden van de man.
Deze klacht faalt. Het stond het hof vrij om in het stadium van de vaststelling van de draagkracht van de man en de vrouw (in rov. 11-18 respectievelijk rov. 19-20) de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon en de dochter buiten beschouwing te laten. In de door het hof toegepaste methodiek kwam aan de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon en de dochter eerst betekenis toe in het stadium van de verdeling tussen de man en de vrouw van deze kosten, zulks aan de hand van een draagkrachtvergelijking (in rov. 21).
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.5 Middel II klaagt over onbegrijpelijkheid van de draagkrachtvergelijking (in rov. 21), die met name daarin is gelegen dat het hof ook in dit verband geen rekening heeft gehouden met de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon, die deel uitmaakt van het huishouden van de man.
Deze klacht slaagt. De uitkomst van de door het hof verrichte draagkrachtvergelijking kan niet anders worden begrepen dan dat het hof de geheel voor rekening van de man komende kosten van verzorging en opvoeding van de zoon niet in aanmerking heeft genomen bij de vaststelling van het door de man aan de vrouw te betalen bedrag ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de dochter. Daarmee heeft het hof miskend dat het geschil in hoger beroep weliswaar was beperkt tot de bepaling van de hoogte van het door de man aan de vrouw te betalen bedrag ten behoeve van de dochter, maar dat partijen het blijkens de processtukken erover eens waren dat bij de bepaling van de hoogte van dit bedrag de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon in aanmerking dienden te worden genomen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 februari 2012;
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof Amsterdam.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 5 april 2013.