ECLI:NL:HR:2013:BZ2922

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 mei 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/04048
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling zorgregeling minderjarige tussen gezamenlijk gezag belaste ouders

In deze zaak stond de vaststelling van een zorgregeling voor een minderjarige centraal, waarbij de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. De vrouw, woonachtig in Nederland, stelde cassatieberoep in tegen de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 22 mei 2012, die was aangevuld bij beschikking van 7 augustus 2012. De man, woonachtig in Duitsland, verzocht het beroep te verwerpen.

De Hoge Raad verwees naar de eerdere beschikkingen van de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam voor het geding in feitelijke instanties. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de vrouw reageerde.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het beroep werd derhalve verworpen.

De uitspraak werd gedaan door raadsheren Streefkerk, Snijders, Polak en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Loth op 17 mei 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het gerechtshof Amsterdam blijft in stand.

Uitspraak

17 mei 2013
Eerste Kamer
12/04048
MD/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats], Duitsland,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 451803/FA RK 10-1396 van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2010 en 5 oktober 2011;
b. de beschikking in de zaak 200.099.870/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 22 mei 2012, aangevuld bij beschikking van 7 augustus 2012.
De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof van 22 mei 2012 heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [de vrouw] heeft bij brief van 7 maaart 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 17 mei 2013.