ECLI:NL:HR:2013:BZ2937
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- N. Jörg
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
In deze zaak stond de cassatiebeoordeling centraal van een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin een gevangenisstraf van twaalf jaar was opgelegd aan de verdachte. De verdachte stelde beroep in cassatie in, waarbij de Advocaat-Generaal concludeerde tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest met verlaging van de straf.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie, met uitzondering van het middel over de overschrijding van de redelijke termijn, niet tot cassatie konden leiden. Het middel dat klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase werd gegrond verklaard.
Als gevolg van de vertraging van meer dan twaalf maanden bij de behandeling van de cassatie, besloot de Hoge Raad de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met acht maanden. De straf werd daarmee vastgesteld op elf jaar en vier maanden. Voor het overige werd het beroep verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 5 maart 2013, waarbij de vice-president A.J.A. van Dorst voorzitter was, samen met raadsheren B.C. de Savornin Lohman en N. Jörg.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf jaar en vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.