ECLI:NL:HR:2013:BZ5148

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/03838
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 lid 4 Wet OB 1968Art. 24b Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffing omzetbelasting bij afnemer zonder eerst naheffing leverancier

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 2004-2006, inclusief boete en heffingsrente. Na bezwaar en beroep bij rechtbank en hof werd de naheffing gehandhaafd en de boete verminderd. Het hof oordeelde dat de verleggingsregeling van artikel 12 lid 4 Wet Pro OB 1968 van toepassing was en dat belanghebbende als afnemer geen recht had op aftrek van ten onrechte gefactureerde btw.

Het hof stelde dat de inspecteur terecht de btw bij belanghebbende heeft nageheven, omdat naheffing bij de leverancier geen effect zou hebben gehad. Het hof vond dat het Besluit van 27 juni 2012 de inspecteur niet verplicht om eerst een naheffingsaanslag aan de leverancier op te leggen.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat de inspecteur eerst de leverancier had moeten naheffen, ook als duidelijk was dat deze niet zou betalen. De Hoge Raad bevestigde dat de inspecteur vrij is om de naheffing bij de afnemer te leggen als naheffing bij de leverancier geen resultaat oplevert. Middelen tegen de boete werden niet behandeld wegens gebrek aan rechtsvragen van belang.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees geen proceskosten toe.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de inspecteur de ten onrechte gefactureerde omzetbelasting direct bij de afnemer mag naheffen zonder eerst een naheffingsaanslag aan de leverancier op te leggen.

Uitspraak

22 maart 2013
Nr. 12/03838
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van Fiscale eenheid X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 juli 2012, nr. 11/01006, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2006 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, alsmede een boete. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de naheffingsaanslag en de beschikking inzake heffingsrente gehandhaafd en de boete verminderd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 11/590) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.1. Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval de verleggingsregeling van artikel 12, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 in samenhang gelezen met artikel 24b van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 van toepassing is, en dat belanghebbende daarom als afnemer geen recht op aftrek heeft van de op de facturen ten onrechte in rekening gebrachte omzetbelasting.
3.1.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur de hiervoor in 3.1.1 in aftrek gebrachte omzetbelasting terecht van belanghebbende heeft nageheven. Hiertoe heeft het Hof onder meer geoordeeld dat, gelet op de gegevens die de Inspecteur heeft verzameld over de opsteller van de facturen, naheffing van deze omzetbelasting bij dat bedrijf geen effect zou hebben gesorteerd. Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur niet op grond van de Besluiten van de Staatsecretaris van Financiën inzake aftrek van ten onrechte gefactureerde omzetbelasting (laatstelijk van 27 juni 2012, nr. BLKB/2012/477M, Stcrt. 2012, 12999, V-N 2012/40.15; hierna: het Besluit) gehouden eerst een naheffingsaanslag aan de opsteller van de factuur op te leggen.
3.2. Middel 1 richt zich tegen het hiervoor in 3.1.2 vermelde oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat het Hof op onjuiste gronden heeft beslist dat de Inspecteur niet in strijd met het recht heeft gehandeld door de ten onrechte gefactureerde omzetbelasting niet (eerst) van de opsteller van de factuur maar van belanghebbende na te heffen.
3.3.1. Indien geen herziening plaatsvindt van ten onrechte op een factuur vermelde omzetbelasting, vermeldt het Besluit over de naheffingsmogelijkheden het hierna volgende:
"3.5.2. (...) Als de ten onrechte of teveel in rekening gebrachte btw niet is voldaan, kan de inspecteur die belasting bij de opsteller van de factuur (hierna: leverancier) naheffen. Hij kan ook de btw naheffen bij de ontvanger (hierna: de afnemer) van de factuur als deze de btw ten onrechte heeft afgetrokken, behalve als de afnemer niet kan worden verweten dat hij bij de beoordeling van de aan hem uitgereikte factuur niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht. Het ligt voor de hand dat de inspecteur in het algemeen niet beide mogelijkheden benut maar een keuze maakt tussen de leverancier en de afnemer. De inspecteur wendt zich eerst tot de leverancier als degene door wie de verschuldigdheid op grond van artikel 37 van Pro de wet is ontstaan. Hij is verantwoordelijk voor het opstellen van de factuur. De keuze om zich eerst te wenden tot de leverancier betekent echter niet dat er geen vrijheid meer zou bestaan om bij de afnemer de in aftrek gebrachte btw na te heffen. Zeker niet als aannemelijk is dat naheffing bij de leverancier zonder resultaat blijft. De afnemer heeft immers een eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of hem terecht een bedrag aan btw in rekening is gebracht. (...)"
3.3.2. Middel 1 betoogt onder meer dat de inspecteur in gevallen waarin een afnemer ten onrechte in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek heeft gebracht, is gehouden om eerst een naheffingsaanslag op te leggen aan de opsteller van de factuur alvorens hij het ten onrechte in aftrek gebrachte bedrag van de afnemer kan naheffen, ook wanneer op voorhand vast staat dat die opsteller van de factuur het na te heffen bedrag niet of niet geheel zal betalen. Het middel faalt in zoverre. Het Besluit staat de inspecteur toe de in aftrek gebrachte omzetbelasting na te heffen bij de afnemer, zeker indien aannemelijk is dat naheffing bij de opsteller van de factuur zonder resultaat blijft. Wanneer op voorhand aannemelijk is dat de opsteller van de factuur het bedrag van een op te leggen naheffingsaanslag geheel of gedeeltelijk niet zal betalen, belemmert het Besluit de inspecteur niet de in aftrek gebrachte omzetbelasting na te heffen van de afnemer zonder dat een naheffingsaanslag aan de opsteller van de factuur wordt opgelegd. Het Hof heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat de Inspecteur niet in strijd met het recht heeft gehandeld door in een geval als het onderhavige de ten onrechte in aftrek gebrachte omzetbelasting van belanghebbende na te heffen.
3.4. Middel 1 voor het overige alsmede middel 2, dat is gericht tegen het oordeel van het Hof omtrent de door de Inspecteur opgelegde boete, kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2013.