ECLI:NL:HR:2013:BZ5346
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvulling opzeggingsgronden bij beëindiging pachtovereenkomst
De zaak betreft een geschil over de beëindiging van pachtovereenkomsten tussen De Molensteen en twee pachters, waarbij De Molensteen de overeenkomsten heeft opgezegd met verwijzing naar specifieke opzeggingsgronden uit het Burgerlijk Wetboek. De pachtkamer van de rechtbank stelde vast dat een van de opzeggingsgronden niet slaagde, maar dat de andere grond wel toereikend was om de pachtovereenkomsten te beëindigen per 30 juni 2011. Het hof vernietigde deze vonnissen en wees de vorderingen van De Molensteen af, omdat De Molensteen in hoger beroep een nieuw verwijt naar voren bracht dat niet in de opzeggingsbrief was genoemd.
De Hoge Raad bevestigt dat op grond van artikel 7:369 lid 2 BW Pro de opzeggingsgronden in de opzeggingsbrief moeten worden vermeld en dat de pachter hierdoor in staat moet zijn te bepalen of hij de opzegging accepteert of een procedure wil starten. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat De Molensteen haar beroep op de opzeggingsgrond niet mocht aanvullen met een nieuw verwijt dat niet in de opzeggingsbrief stond vermeld.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van De Molensteen en veroordeelt haar in de kosten van het geding. Hiermee wordt bevestigd dat de wettelijke eisen aan de inhoud van een opzeggingsbrief strikt moeten worden nageleefd om rechtszekerheid te waarborgen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de opzeggingsgronden niet mogen worden aangevuld buiten de opzeggingsbrief.