ECLI:NL:HR:2013:BZ5381
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafoplegging voor bezit vervalst reisdocument ondanks vreemdelingenrechtelijke consequenties
De verdachte werd door het Hof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden wegens het bezit van een vervalst reisdocument waarvan hij wist dat het vervalst was. De raadsman van verdachte had verzocht om de straf te beperken tot 27 dagen om een ongewenstverklaring te voorkomen, die volgens hem minstens vijf jaar zou gelden en de verkrijging van visum of verblijfsvergunning zou belemmeren.
Het Hof oordeelde dat de mogelijke bestuurlijke maatregel van ongewenstverklaring niet ter beoordeling stond en geen invloed mocht hebben op de strafoplegging. De opgelegde straf was passend gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het was begaan en de persoon van de verdachte. Het vervalste paspoort werd onttrokken aan het verkeer.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Het hof had niet hoeven motiveren waarom het niet afweek van het verzoek van de verdediging, omdat de vreemdelingenrechtelijke consequenties niet relevant zijn voor de strafoplegging. Hoewel de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, werd dit zonder rechtsgevolg gelaten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de gevangenisstraf van twee maanden wegens bezit van een vervalst reisdocument.