ECLI:NL:HR:2013:BZ5902

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/05499
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling afgewezen wegens niet te goeder trouw ontstane schulden

Verzoekster heeft bij de rechtbank en het gerechtshof te 's-Gravenhage een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank wees het verzoek af, waarna het gerechtshof dit oordeel bevestigde. De kern van het geschil betrof de vraag of de schulden van verzoekster te goeder trouw waren ontstaan, zoals vereist op grond van artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder b, van de Faillissementswet.

Verzoekster stelde zich op het standpunt dat haar schulden wel degelijk te goeder trouw waren ontstaan en bestreed de afwijzing van haar verzoek. Het gerechtshof oordeelde echter dat niet was voldaan aan de vereiste goed trouw, waardoor toepassing van de schuldsaneringsregeling niet mogelijk was.

Tegen dit arrest stelde verzoekster beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp het beroep zonder nadere motivering, omdat de aangevoerde klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het arrest van de Hoge Raad bevestigt daarmee de eerdere beslissingen van rechtbank en hof en maakt duidelijk dat niet te goeder trouw ontstane schulden geen grond vormen voor toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

Uitspraak

29 maart 2013
Eerste Kamer
12/05499
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. W. Römelingh.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 12.1273 en 12.1274 van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 juli 2012;
b. het arrest in de zaak 200.109.410/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 november 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 29 maart 2013.