ECLI:NL:HR:2013:BZ5902
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling afgewezen wegens niet te goeder trouw ontstane schulden
Verzoekster heeft bij de rechtbank en het gerechtshof te 's-Gravenhage een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank wees het verzoek af, waarna het gerechtshof dit oordeel bevestigde. De kern van het geschil betrof de vraag of de schulden van verzoekster te goeder trouw waren ontstaan, zoals vereist op grond van artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder b, van de Faillissementswet.
Verzoekster stelde zich op het standpunt dat haar schulden wel degelijk te goeder trouw waren ontstaan en bestreed de afwijzing van haar verzoek. Het gerechtshof oordeelde echter dat niet was voldaan aan de vereiste goed trouw, waardoor toepassing van de schuldsaneringsregeling niet mogelijk was.
Tegen dit arrest stelde verzoekster beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp het beroep zonder nadere motivering, omdat de aangevoerde klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest van de Hoge Raad bevestigt daarmee de eerdere beslissingen van rechtbank en hof en maakt duidelijk dat niet te goeder trouw ontstane schulden geen grond vormen voor toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.