ECLI:NL:HR:2013:BZ5953

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 april 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/01623
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 WVW 1994Art. 427 SvArt. 81 ROArt. IV lid 3 Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2008
Verwijzingen
6 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep in cassatie wegens niet-ontvankelijkheid en ontbreken proces-verbaal

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De verdachte werd veroordeeld voor overtreding van artikel 107, eerste lid, WVW 1994, waarbij het hof een geldboete en subsidiair hechtenis oplegde. In cassatie werd geklaagd over het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, dat niet meer beschikbaar bleek te zijn.

De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van het proces-verbaal niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd, aangezien in hoger beroep geen beroep op dit ontbreken was gedaan. Daarnaast werd het beroep ten aanzien van het derde feit niet-ontvankelijk verklaard vanwege wettelijke beperkingen. De overige middelen werden verworpen zonder nadere motivering, omdat zij geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, waarbij het beroep in cassatie werd verworpen. Hiermee bleef het arrest van het hof in stand en werd het cassatieberoep afgewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep is deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige verworpen.

Uitspraak

2 april 2013
Strafkamer
nr. S 11/01623
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 maart 2011, nummer 22/000218-10, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het Hof heeft de verdachte ter zake van feit 3 (overtreding van art. 107, eerste lid, WVW 1994) veroordeeld tot een geldboete van € 200,-, subsidiair 4 dagen hechtenis. In zoverre kan de verdachte - gelet op art. 427, tweede lid, Sv - in zijn beroep in cassatie niet worden ontvangen.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg zich niet bij de stukken bevindt zodat het bestreden arrest, dat mede is gewezen naar aanleiding van het aldaar gehouden onderzoek, aan nietigheid lijdt.
3.2. Het in het middel bedoelde proces-verbaal ontbreekt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Naar aanleiding van een door de raadsman op de voet van art. IV lid 3 van het Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2008 gedaan verzoek is bij het Hof nadere informatie ingewonnen. Op grond daarvan moet worden aangenomen dat bedoeld proces-verbaal niet meer beschikbaar zal komen.
3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar noch door de aldaar aanwezige verdachte noch door zijn raadsman beroep gedaan op het ontbreken van bedoeld proces-verbaal. Gelet daarop kan niet voor het eerst in cassatie met vrucht worden geklaagd over het ontbreken van dat proces-verbaal. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 2 april 2013.