ECLI:NL:HR:2013:BZ5954

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 april 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11/01685
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48.1 Algemene Bijstandswet (oud)Art. 81, eerste lid, RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling inkomen in natura bij gebruik dure auto zonder vergoeding in bijstandsfraudezaak

In deze strafzaak stond de vraag centraal of het gebruik van een personenauto met een nieuwwaarde van ruim €40.000 zonder vergoeding door verdachte en zijn mededader moest worden aangemerkt als inkomen in natura in de zin van de toen geldende Algemene Bijstandswet (oud). Verdachte werd veroordeeld voor het valselijk opmaken van een formulier bij de uitkeringsinstantie waarbij hij verzweeg dat hij inkomsten had en de beschikking had over de auto.

Het hof had geoordeeld dat het meestentijds gebruik van de auto zonder vergoeding een op geld waardeerbaar voordeel opleverde dat als inkomen in natura moest worden beschouwd en dus van invloed was op de hoogte van de bijstandsuitkering. De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel niet onbegrijpelijk was en geen onjuiste rechtsopvatting bevatte.

Het cassatieberoep van verdachte werd verworpen. De Hoge Raad benadrukte dat het gebruik van de auto, ook al stond deze niet op naam van verdachte, toch een vorm van inkomen in natura opleverde die vermeld moest worden bij de uitkeringsinstantie. Verdachte maakte zich daardoor schuldig aan bijstandsfraude.

De uitspraak bevestigt de uitleg van de Algemene Bijstandswet dat inkomen in natura wordt vastgesteld op de daaruit voortvloeiende lagere bestaanskosten en dat het gebruik van een dure auto zonder vergoeding als zodanig inkomen kan worden aangemerkt. De Hoge Raad zag geen aanleiding tot verdere motivering en wees het beroep af.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het gebruik van de auto zonder vergoeding geldt als inkomen in natura bij bijstandsfraude.

Uitspraak

2 april 2013
Strafkamer
nr. S 11/01685 S
SA/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 29 maart 2011, nummer 21/000822-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. t'Sas, advocaat te Wijk bij Duurstede, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt onder meer over het oordeel van het Hof dat het gebruik van een auto zonder daarvoor te betalen inkomen in natura oplevert.
2.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij op tijdstippen in de periode van 01 mei 1999 tot en met 30 juni 2000 te Hoogland, gemeente Amersfoort, als degene aan wie - op grond van de bepalingen van de Algemene Bijstandswet - bijstand was toegekend, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, - te weten een formulier van de Gemeentelijke Sociale Dienst van de gemeente Amersfoort waarop ter vaststelling door die Dienst of en zo ja tot welk bedrag een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet aan hem, verdachte diende te worden toegekend of voortgezet, door hem, verdachte over de periode voornoemd opgave moest worden gedaan van (gewijzigde) omstandigheden/gegevens die van invloed zouden kunnen zijn op die bijstandsverlening - valselijk heeft opgemaakt, immers opzettelijk valselijk niet op dat formulier heeft vermeld dat hij, verdachte, in de betreffende periode als zelfstandige werkzaamheden had verricht en (aldus uit dien hoofde) inkomsten had waarvan hij geen melding had gedaan bij voornoemde dienst en de beschikking had over een personenauto, merk Mercedes met een nieuwwaarde op 19 mei 1999 van ongeveer 40.840,22 euro, en dat formulier met zijn naam heeft ondertekend ter bevestiging van de juistheid der daarin gedane opgaven, zulks met het oogmerk om dat aldus opgemaakte en ondertekende geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken."
2.3. Het Hof heeft met betrekking tot het bewijs ter zake van het onder 1 tenlastegelegde onder meer overwogen:
"Ten aanzien van het bezit van een auto, type Mercedes, met een nieuwwaarde van Fl. 90.000,- (omgerekend € 40.840,22), welke auto door [betrokkene 1] contant is afgerekend op 19 mei 1999, geldt het volgende. Vanwege een privékwestie hadden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] meestentijds het gebruik van deze auto. De enkele omstandigheid dat die auto niet op naam van verdachte of medeverdachte [medeverdachte], maar op naam van [betrokkene 1] stond, doet er niet aan af dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte], zonder dat zij daarvoor enige vergoeding betaalden, de beschikking hadden over deze auto. Dat gebruik betekende zo profijt en dat profijt betekende in feite een vorm van inkomsten in natura. Door dit arrangement met [betrokkene 1] te verzwijgen terwijl het gebruik van een dergelijke dure auto niet rijmt met het beroep op gemeenschapsmiddelen zoals hij dat onderwijl deed heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde feit."
2.4. Art. 48, eerste lid, Algemene bijstandswet (oud) luidt:
"Indien inkomen in natura in aanmerking wordt genomen wordt de waarde daarvan vastgesteld op de daaruit voortvloeiende lagere bestaanskosten."
2.5. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn mededader een auto met een nieuwwaarde van € 40.840,22 in een periode van dertien maanden meestentijds in gebruik hadden "vanwege een privékwestie" en dat zij voor dat gebruik geen vergoeding behoefden te betalen. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat het op geld waardeerbare voordeel dat de verdachte en zijn mededader aldus als tegenprestatie voor een privékwestie genoten als inkomen in natura als bedoeld in art. 48, eerste lid, Algemene bijstandswet (oud) - en daarmee als een in het formulier van de uitkeringsinstantie te vermelden gegeven dat van invloed kan zijn op de hoogte van de te verstrekken uitkering - dient te worden beschouwd. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De klacht faalt.
3. Beoordeling van de middelen voor het overige
De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 2 april 2013.