ECLI:NL:HR:2013:BZ6522
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad corrigeert duur niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf bij herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling
De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan twee derde is uitgezeten waarna voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend met een proeftijd van één jaar. De officier van justitie verzocht de herroeping van deze voorwaardelijke invrijheidstelling wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit tijdens de proeftijd.
De rechtbank wees de vordering tot herroeping toe en gelastte dat het gedeelte van de straf dat nog niet was uitgevoerd, namelijk 365 dagen, alsnog geheel moest worden ondergaan. Het hof bevestigde dit vonnis. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit onderdeel van het arrest.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had vastgesteld dat 12 maanden gelijk is aan 365 dagen, terwijl volgens art. 88 Sr Pro een maand 30 dagen telt, zodat 12 maanden 360 dagen betreft. De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het de duur van het niet ten uitvoer gelegde gedeelte betrof en stelde deze vast op 360 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Deze uitspraak verduidelijkt de juiste berekeningswijze van de duur van niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraffen bij herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling en bevestigt het cassatierecht om dergelijke beslissingen te toetsen.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt dat het niet ten uitvoer gelegde gedeelte van de straf 360 dagen bedraagt in plaats van 365 dagen.