ECLI:NL:HR:2013:BZ9953

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/04725
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 3 FaillissementswetArt. 71 lid 1 FaillissementswetArt. 85 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep curator tegen vaststelling salaris na vernietiging faillietverklaring

In deze zaak is de curator in cassatie gegaan tegen het arrest van het hof dat het vonnis van faillietverklaring vernietigde en het salaris van de curator vaststelde op €10.000,- inclusief BTW en kantoorkosten op grond van art. 15 lid 3 Faillissementswet Pro (Fw). De curator betoogde dat hij tegen deze salarisvaststelling cassatieberoep kon instellen op grond van art. 71 Fw Pro.

De Hoge Raad overwoog dat art. 15 lid 3 Fw Pro een rechtsmiddelenverbod bevat tegen beslissingen over faillissementskosten en curatorensalaris na vernietiging van het vonnis van faillietverklaring. Dit artikel is specifiek bedoeld voor situaties waarin het faillissement slechts kort heeft bestaan en vult een leemte die art. 71 Fw Pro niet dekt. Art. 71 Fw Pro regelt de salarisvaststelling bij afwikkeling van het faillissement en staat cassatieberoep toe, maar is niet van toepassing bij vernietiging van de faillietverklaring.

De Hoge Raad verwierp het betoog van de curator dat dit tot een tegenstrijdigheid leidt en concludeerde dat het rechtsmiddelenverbod in art. 15 lid 3 Fw Pro voorrang heeft. Daarom is de curator niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren en in het openbaar door raadsheer M.A. Loth op 12 juli 2013.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de curator niet-ontvankelijk wegens rechtsmiddelenverbod in art. 15 lid 3 Faillissementswet.

Uitspraak

12 juli 2013
Eerste Kamer
nr. 12/04725
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
mr. Nicolaas Frederik BARTHEL, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [verweerder 1]
wonende te ’s-Gravenhage,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J.W. Uiterlinden,
t e g e n
1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de curator, [verweerder 1] en [verweerder 2].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
het vonnis in de zaak 12/492 F van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 juli 2012;
het arrest in de zaak 200.110.555/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 2 oktober 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de curator beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder 1] en [verweerder 2] hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij verstekvonnis van 26 juni 2012 is [verweerder 1] in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. Barthel als curator.
(ii) Bij vonnis van 20 juli 2012 is het door [verweerder 1] tegen het verstekvonnis gedane verzet afgewezen.
(iii) Het hof heeft het vonnis van 20 juli 2012 vernietigd en het verzoek tot faillietverklaring alsnog afgewezen. Het heeft het bedrag van de faillissementskosten en het salaris van de curator vastgesteld op € 10.000,--, inclusief BTW, en heeft daartoe in rov. 7 het volgende overwogen:
“De curator heeft bij zijn verslag van 21 september 2012 een berekening van zijn salaris overgelegd. In totaal worden 72,3 uren in rekening gebracht. Gelet op de aard en omvang van het onderhavige faillissement ziet het hof aanleiding het salaris van de curator inclusief BTW en kantoorkosten ex art. 15, lid 3, Fw vast te stellen op € 10.000,-.”
3.2.1
Onderdeel II, dat de Hoge Raad eerst zal behandelen, stelt de vraag aan de orde of de curator een rechtsmiddel kan aanwenden tegen een op de voet van art. 15 lid 3 Fw Pro genomen beslissing omtrent de faillissementskosten en het salaris van de curator. Het onderdeel betoogt onder verwijzing naar art. 71 Fw Pro dat ook bij toepassing van art. 15 lid 3 Fw Pro de curator het rechtsmiddel van cassatie ten dienste staat.
3.2.2
Art. 15 lid 3 Fw Pro luidt, voor zover van belang, als volgt:
“De rechter, die de vernietiging van een vonnis van faillietverklaring uitspreekt, stelt tevens het bedrag vast van de faillissementskosten en van het salaris des curators. Hij brengt dit bedrag ten laste van degene, die de faillietverklaring heeft aangevraagd, van de schuldenaar, of van beide in de door de rechter te bepalen verhouding. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. (…)”
Art. 71 lid 1 Fw Pro houdt in dat “Onverminderd het bepaalde in artikel 15, derde lid” het salaris van de curator in elk faillissement wordt vastgesteld door de rechtbank.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad staat ingeval het salaris van de curator op de voet van art. 71 Fw Pro wordt vastgesteld, geen hoger beroep open, maar wel cassatieberoep (zie onder meer HR 3 juli 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB8474, NJ 1989/770). Het onderdeel betoogt dat dit meebrengt dat ook bij toepassing van art. 15 lid 3 cassatieberoep Pro openstaat, omdat anders een tegenstrijdigheid zou bestaan tussen art. 15 lid 3 en Pro art. 71 lid 1 Fw Pro.
3.2.3
Het onderdeel faalt. Art. 71 lid 1 Fw Pro betreft de salarisvaststelling bij de afwikkeling van het faillissement (en art. 71 lid 2 de Pro salarisvaststelling in geval van een akkoord). Het gaat bij art. 71 Fw Pro om een beschikking betreffende het beheer en de vereffening van de boedel als bedoeld in art. 85 Fw Pro. Art. 15 lid 3 Fw Pro heeft betrekking op de salarisvaststelling na vernietiging van het vonnis van faillietverklaring en ziet derhalve op kosten die zijn gemaakt gedurende de betrekkelijk korte periode waarin van een faillissement sprake was. Laatstgenoemde bepaling is in 1925 in de wet gevoegd om te voorzien in een leemte die bestond, nu art. 71 – gelet op de afdeling van de Faillissementswet waarin het artikel is geplaatst – niet van toepassing is bij vernietiging van het vonnis van faillietverklaring (Wet van 13 november 1925, Stb. 445). Bij voormelde wetswijziging is tevens in art. 71 lid 1 de Pro hiervoor geciteerde passage “Onverminderd het bepaalde in artikel 15, derde lid” opgenomen. De wetgever heeft derhalve met het opnemen van art. 15 lid 3 Fw Pro beoogd een afzonderlijke bepaling op te nemen met betrekking tot de vaststelling van het salaris van de curator in geval van vernietiging van het vonnis van faillietverklaring en heeft daarbij ervoor gekozen om voor dit geval een rechtsmiddelenverbod op te nemen. Tegen deze achtergrond kan – anders dan het onderdeel betoogt - niet worden aangenomen dat de curator een rechtsmiddel kan aanwenden tegen een op de voet van art. 15 lid 3 Fw Pro genomen beslissing omtrent de faillissementskosten en het salaris van de curator.
3.3
Het hiervoor overwogene brengt mee dat de curator niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de curator niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
12 juli 2013.