Uitspraak
wonende te ’s-Gravenhage,
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.Beslissing
12 juli 2013.
Hoge Raad
In deze zaak is de curator in cassatie gegaan tegen het arrest van het hof dat het vonnis van faillietverklaring vernietigde en het salaris van de curator vaststelde op €10.000,- inclusief BTW en kantoorkosten op grond van art. 15 lid 3 Faillissementswet Pro (Fw). De curator betoogde dat hij tegen deze salarisvaststelling cassatieberoep kon instellen op grond van art. 71 Fw Pro.
De Hoge Raad overwoog dat art. 15 lid 3 Fw Pro een rechtsmiddelenverbod bevat tegen beslissingen over faillissementskosten en curatorensalaris na vernietiging van het vonnis van faillietverklaring. Dit artikel is specifiek bedoeld voor situaties waarin het faillissement slechts kort heeft bestaan en vult een leemte die art. 71 Fw Pro niet dekt. Art. 71 Fw Pro regelt de salarisvaststelling bij afwikkeling van het faillissement en staat cassatieberoep toe, maar is niet van toepassing bij vernietiging van de faillietverklaring.
De Hoge Raad verwierp het betoog van de curator dat dit tot een tegenstrijdigheid leidt en concludeerde dat het rechtsmiddelenverbod in art. 15 lid 3 Fw Pro voorrang heeft. Daarom is de curator niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren en in het openbaar door raadsheer M.A. Loth op 12 juli 2013.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de curator niet-ontvankelijk wegens rechtsmiddelenverbod in art. 15 lid 3 Faillissementswet.