Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Dublin, Ierland,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
20 september 2013.
Hoge Raad
Eiseres sloot in 2001 een effectenleaseovereenkomst met Dexia voor 240 maanden, met een mogelijkheid tot tussentijdse beëindiging. In 2004 werd de overeenkomst beëindigd en een eindafrekening opgemaakt, waarbij een bedrag aan eiseres werd overgemaakt. Later bleek echter dat er een restschuld bestond van €7.092,82, waarover Dexia en later Varde betaling vorderden.
Eiseres ontkende deze schuld en beriep zich op het vertrouwensbeginsel en rechtsverwerking, omdat zij pas jaren na beëindiging van de overeenkomst over de restschuld werd geïnformeerd. Tevens stelde zij dat zij niet gebonden was aan de WCAM-overeenkomst (Duisenberg-regeling), die een regeling voor effectenleaseovereenkomsten bevat.
Het hof had de vordering van Varde toegewezen en geoordeeld dat eiseres gebonden was aan de WCAM-overeenkomst omdat zij geen opt-out had ingediend na bekendwording van haar schade. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel omdat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het beroep op redelijkheid en billijkheid en rechtsverwerking werd verworpen en waarom eiseres aan de WCAM-overeenkomst gebonden zou zijn.
De Hoge Raad verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelt de Hoge Raad Varde in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.