ECLI:NL:HR:2013:CA1968

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
13/02203
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 287a FwArt. 288 lid 1 aanhef en onder b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring cassatieberoep inzake afwijzing schuldsaneringsregeling

In deze zaak heeft verzoekster beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP) werd afgewezen. De rechtbank 's-Gravenhage had eerder eveneens het verzoek afgewezen. De Procureur-Generaal adviseerde het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren omdat verzoekster onvoldoende belang bij het beroep had of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit oordeel is gebaseerd op artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO). De Hoge Raad heeft vervolgens het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Het arrest is gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Drion en Polak, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Loth. Deze uitspraak bevestigt de afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en benadrukt het belang van ontvankelijkheid en belang bij cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en onvoldoende gronden.

Uitspraak

12 juli 2013
Eerste Kamer
nr. 13/02203
RM/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
het vonnis in de zaak 429796/FT-RK 12-2682 van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 december 2012;
het arrest in de zaak 200.124.932/01 van het gerechtshof Den Haag van 18 april 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 30 mei 2013 op dit standpunt gereageerd.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
12 juli 2013.