ECLI:NL:HR:2013:CA3298

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11/04203 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering van ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij de betrokkene in hoger beroep door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch was veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.659.092,-. De betrokkene stelde cassatie in tegen deze uitspraak, met name gericht op de hoogte van het ontnemingsbedrag en de overschrijding van de redelijke termijn.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot gedeeltelijke vernietiging van het hofarrest, specifiek wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag, en stelde voor dit te verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel geen cassatiegrond opleverde, maar dat het tweede middel gegrond was omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden.

Hierdoor werd het opgelegde ontnemingsbedrag verminderd naar € 2.654.092,-. Voor het overige werd het beroep verworpen. De Hoge Raad vernietigde dus het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en sprak het arrest uit in een openbare terechtzitting op 18 juni 2013.

Uitkomst: Het opgelegde ontnemingsbedrag wordt verminderd tot € 2.654.092,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

18 juni 2013
Strafkamer
nr. S 11/04203 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 augustus 2011, nummer 20/004902-08, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de hoogte van het opgelegde ontnemingsbedrag, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 2.659.092,-.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 2.654.092,- bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2013.