ECLI:NL:HR:2013:CA3298
Hoge Raad
- Cassatie
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Y. Buruma
- Rechtspraak.nl
Vermindering van ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij de betrokkene in hoger beroep door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch was veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.659.092,-. De betrokkene stelde cassatie in tegen deze uitspraak, met name gericht op de hoogte van het ontnemingsbedrag en de overschrijding van de redelijke termijn.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot gedeeltelijke vernietiging van het hofarrest, specifiek wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag, en stelde voor dit te verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel geen cassatiegrond opleverde, maar dat het tweede middel gegrond was omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Hierdoor werd het opgelegde ontnemingsbedrag verminderd naar € 2.654.092,-. Voor het overige werd het beroep verworpen. De Hoge Raad vernietigde dus het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en sprak het arrest uit in een openbare terechtzitting op 18 juni 2013.
Uitkomst: Het opgelegde ontnemingsbedrag wordt verminderd tot € 2.654.092,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.