ECLI:NL:HR:2013:CA3315

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/03562
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 327 SvArt. 416 lid 2 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling nietigheid proces-verbaal en overschrijding redelijke termijn in cassatie

In deze zaak stond centraal of het proces-verbaal van de terechtzitting, vastgesteld en ondertekend zonder de aanwezigheid van de raadsheer die het mondeling arrest heeft gewezen, nietigheid van het onderzoek en de uitspraak tot gevolg heeft. De Hoge Raad verwijst naar een eerdere uitspraak (HR NJ 2012/324) en oordeelt dat in gevallen waarin het arrest bij verstek is gewezen en de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in hoger beroep, het ontbreken van ondertekening door de betreffende raadsheer niet leidt tot nietigheid.

Daarnaast klaagde de verdachte over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad erkent deze overschrijding, maar stelt vast dat in cassatie tegen een niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep geen plaats is voor strafvermindering of vernietiging van het vonnis van eerste aanleg.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep uiteindelijk, waarbij de vaststelling van de termijnoverschrijding als voldoende compensatie wordt gezien. Hiermee wordt bevestigd dat procedurele tekortkomingen in de ondertekening van het proces-verbaal niet automatisch leiden tot nietigheid, en dat de redelijke termijn in cassatie strikt wordt getoetst, maar zonder gevolgen voor de straf in deze specifieke situatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn; het proces-verbaaltekort leidt niet tot nietigheid.

Uitspraak

18 juni 2013
Strafkamer
nr. S 12/03562
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 augustus 2011, nummer 22/003289-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. de Kock-Molendijk, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal constateren dat in cassatie een inbreuk is gemaakt op het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht van de verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht en zal vaststellen dat de verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling ervan, en tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting van de enkelvoudige kamer van het Hof van 24 augustus 2011, inhoudende "Dit proces-verbaal is bij ontstentenis van de voorzitter door de griffier vastgesteld en ondertekend, alsmede gezien en akkoord bevonden door de senior raadsheer D.J.C. van den Broek" niet overeenkomstig art. 327 Sv Pro is vastgesteld en ondertekend door mr. L.A.J.M. van Dijk, de raadsheer die het mondeling arrest heeft gewezen, welk verzuim tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gewezen uitspraak leidt.
2.2. Het middel faalt. Zoals in HR 8 mei 2012, LJN BW3692, NJ 2012/324 is uiteengezet behoeft in een geval als het onderhavige, waarin het bij verstek gewezen arrest blijkens de aantekening mondeling arrest als de beslissing van de raadsheer die over de zaak heeft geoordeeld slechts inhoudt dat de verdachte op grond van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep, terwijl het opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting aanvankelijk achterwege kon worden gelaten en eerst na geruime tijd alsnog toepassing diende te worden gegeven aan de verplichting het mondeling arrest aan te tekenen in het proces-verbaal van de terechtzitting, de omstandigheid dat het proces-verbaal bij ontstentenis van de raadsheer die over de zaak heeft geoordeeld niet meer overeenkomstig art. 327 Sv Pro door deze kon worden vastgesteld en ondertekend, niet tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak te leiden.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden en stelt dat dit dient te leiden tot strafvermindering.
3.2. Het middel is gegrond. Aangezien in een geval als het onderhavige waarin het Hof de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis, in cassatie geen plaats is voor (partiële) vernietiging van dat vonnis en vermindering van de door de eerste rechter opgelegde straf, zal de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 18 juni 2013.