ECLI:NL:HR:2013:CA3748

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/04255
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:100 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en uitzonderingen op hoofdregel bij belastingschuld

Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn gescheiden met peildatum 18 januari 2007 voor de vaststelling van de gemeenschap. De man betwistte dat bepaalde schulden, waaronder een naheffingsaanslag omzetbelasting, in de gemeenschap vielen. Het hof oordeelde dat een deel van de belastingschuld wel in de gemeenschap viel, maar dat de man deze geheel moest dragen omdat hij de vrouw niet had betrokken bij de onderhandelingen met de Belastingdienst.

De man stelde in cassatie dat het hof een onjuiste maatstaf hanteerde bij het toepassen van de uitzondering op de hoofdregel van gelijke verdeling (art. 1:100 BW Pro). De Hoge Raad bevestigde dat afwijking van gelijke verdeling slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mogelijk is, waarin het onaanvaardbaar is dat een echtgenoot zich beroept op verdeling bij helfte.

De Hoge Raad oordeelde dat het enkele feit dat de man de vrouw niet betrok bij het overleg met de Belastingdienst onvoldoende is om een dergelijke uitzondering aan te nemen. Het hof had zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd of verkeerde in zijn rechtsopvatting. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.

Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof Arnhem is vernietigd en de zaak is verwezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.

Uitspraak

20 september 2013
Eerste Kamer
nr. 12/04255
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van;
[de man],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 91305/HA ZA 08-114 van de rechtbank Almelo van 26 maart 2008, 17 september 2008, en 28 januari 2009;
b. het arrest in de zaak 200.036.989 van het gerechtshof te Arnhem van 20 maart 2012.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de vrouw toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 27 juni 2013 op de conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Tussen partijen, die in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd, is bij beschikking van 16 mei 2007 echtscheiding uitgesproken.
(ii) Partijen zijn overeengekomen dat 18 januari 2007 geldt als peildatum voor de vaststelling van de omvang en de waardering van de huwelijksgoederengemeenschap.
3.2
Het gaat in deze procedure om de verdeling van de ontbonden gemeenschap. De man heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte een aantal schulden niet in aanmerking heeft genomen, te weten een naheffingsaanslag omzetbelasting, een schuld aan Driemansgroep en enkele schulden uit geldlening. Het hof heeft vastgesteld dat de schuld aan Driemansgroep niet in de gemeenschap is gevallen en dat de schulden uit geldlening zijn afgelost. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de naheffingsaanslag bestaat uit vier onderdelen (a-d). Van de schuld aan de belastingdienst is een gedeelte, betrekking hebbend op de schulden (a) en (b), weliswaar in de gemeenschap gevallen, maar dit gedeelte dient volgens het hof geheel door de man te worden gedragen. (rov. 2.5 en 2.10) Het hof heeft in rov. 2.5 onder meer het volgende overwogen.
“(…) De schulden (a) en (b) zijn ontstaan voor 18 januari 2007 en zijn wel in de gemeenschap gevallen. Het hof is van oordeel dat uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat [de man] deze schulden alsmede de daarover verschuldigde heffingsrente geheel moet dragen, nu hij [de vrouw] niet heeft betrokken bij de discussie en de overleggen met de belastingdienst over de aangiften omzetbelasting over de jaren 2005 en 2006 en evenmin bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst die hij op 1 november 2008 met de belastingdienst heeft gesloten, waarin onder meer is bepaald dat de in geschil zijnde naheffingsaanslag zal worden opgelegd.”
3.3.1
Onderdeel 2.2 is gericht tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven overweging van het hof. Het onderdeel klaagt onder (i) dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij het toepassen van een uitzondering op de regel dat verdeling bij helfte dient plaats te vinden, althans dat het hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.3.2
Bij de beoordeling van de klacht wordt het volgende vooropgesteld. Ingevolge art. 1:100 BW Pro hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Een afwijking van deze regel is niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407).
De door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de man de vrouw niet heeft betrokken bij het overleg met de belastingdienst en evenmin bij het totstandkomen van de vaststellingsovereenkomst, is niet zonder meer voldoende om een zeer uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld aan te nemen. Het hof heeft met zijn oordeel hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. De klacht is dus gegrond. Dit brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en dat de overige klachten van onderdeel 2.2 geen behandeling behoeven. Onderdeel 2.5, dat gedeeltelijk voortbouwt op onderdeel 2.2 onder (i), is in zoverre eveneens gegrond.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 20 maart 2012;
verwijst het geding naar het gerechtshof ′s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
20 september 2013.