Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 september 2013.
Hoge Raad
Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn gescheiden met peildatum 18 januari 2007 voor de vaststelling van de gemeenschap. De man betwistte dat bepaalde schulden, waaronder een naheffingsaanslag omzetbelasting, in de gemeenschap vielen. Het hof oordeelde dat een deel van de belastingschuld wel in de gemeenschap viel, maar dat de man deze geheel moest dragen omdat hij de vrouw niet had betrokken bij de onderhandelingen met de Belastingdienst.
De man stelde in cassatie dat het hof een onjuiste maatstaf hanteerde bij het toepassen van de uitzondering op de hoofdregel van gelijke verdeling (art. 1:100 BW Pro). De Hoge Raad bevestigde dat afwijking van gelijke verdeling slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mogelijk is, waarin het onaanvaardbaar is dat een echtgenoot zich beroept op verdeling bij helfte.
De Hoge Raad oordeelde dat het enkele feit dat de man de vrouw niet betrok bij het overleg met de Belastingdienst onvoldoende is om een dergelijke uitzondering aan te nemen. Het hof had zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd of verkeerde in zijn rechtsopvatting. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof Arnhem is vernietigd en de zaak is verwezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.