De zaak betreft een cassatieberoep van een jeugdige en haar vader tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam inzake een jeugdrechtelijke ondertoezichtstelling en de vraag of uit beëindiging van een plaatsing in een gesloten inrichting een schadevergoedingsplicht voortvloeit op grond van artikel 5 lid 5 EVRMPro.
De Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland trad op als verweerder en heeft geen verweerschrift ingediend. De Procureur-Generaal heeft geadviseerd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren omdat de verzoekers onvoldoende belang bij cassatie hebben en de klachten geen cassatiegrond vormen.
De Hoge Raad sluit zich aan bij dit advies en oordeelt dat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk.
De uitspraak bevestigt dat de stelplicht en het belang bij cassatie essentieel zijn en dat niet elk geschil over jeugdrechtelijke maatregelen geschikt is voor behandeling in cassatie. Het arrest is uitgesproken door raadsheren van de Hoge Raad op 2 mei 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de jeugdige en haar vader wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en onvoldoende gronden.
Uitspraak
2 mei 2014
Eerste Kamer
nr. 14/00149
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [de jeugdige], wonende te [woonplaats], thans verblijvende in het Transferium te Heerhugowaard,
2. [de vader], wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos,
t e g e n
STICHTING BUREAU JEUGDZORG NOORD-HOLLAND, gevestigd te Haarlem,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de jeugdige en haar vader en de Stichting.
1.Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/15/204781/JU RK 13-709 van de rechtbank Noord-Holland van 23 augustus 2013;
b. de beschikking in de zaak 200.133.132/01 en 200.133.132/02 van het gerechtshof Amsterdam van 7 oktober 2013.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2.Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof hebben de jeugdige en haar vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Stichting heeft geen verweerschrift ingediend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers in hun cassatieberoep, op grond van art. 80a lid 1 RO.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 5-9).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 2 mei 2014.