Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
13 mei 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd op 6 november 2009 gefouilleerd in een Turks koffiehuis dat gelegen is in een door de burgemeester aangewezen veiligheidsrisicogebied. De verdachte voerde in hoger beroep aan dat de fouillering onrechtmatig was omdat het koffiehuis geen voor het publiek openstaand gebouw zou zijn, en dat het bewijs daarom uitgesloten moest worden. Tevens stelde hij dat de fouillering in strijd was met artikel 8 EVRM Pro.
Het Hof oordeelde dat het koffiehuis als een voor het publiek openstaand gebouw moet worden beschouwd, omdat het publiek er in het algemeen vrij toegang toe heeft. Ook de kleine, afzonderlijke ruimte waar de verdachte werd aangetroffen, werd niet als besloten aangemerkt. Het Hof verwierp het bewijsuitsluitingsverweer en oordeelde dat de fouillering niet in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, omdat de inbreuk op het recht op privacy gerechtvaardigd was in het belang van de openbare veiligheid.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het verweer van de verdachte ongegrond. Het beroep in cassatie wordt verworpen. Hiermee blijft het bewijs van het bezit van cocaïne en andere uit misdrijf afkomstige voorwerpen tegen de verdachte gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de fouillering rechtmatig was en het bewijs tegen de verdachte mocht worden gebruikt.