ECLI:NL:HR:2014:1163

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 mei 2014
Publicatiedatum
20 mei 2014
Zaaknummer
13/00094
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11.1 OpiumwetArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onbegrijpelijke strafoplegging bij handelen in strijd met Opiumwet

De verdachte werd door het hof veroordeeld voor handelen in strijd met artikel 3 van Pro de Opiumwet, specifiek het bezit van een hennepkwekerij met een capaciteit van 2659 planten. Het hof legde een taakstraf van 120 uur op, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarbij het oordeelde dat volgens de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf weken passend zou zijn.

De Hoge Raad stelt vast dat artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet als maximale vrijheidsstraf hechtenis van ten hoogste een maand voorschrijft. De overweging van het hof dat een gevangenisstraf van twaalf weken passend en geboden is, is daarom onbegrijpelijk en in strijd met de wet.

De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing over de straf. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van het strikt naleven van de wettelijke strafmaxima bij de strafoplegging.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd vanwege een onbegrijpelijke strafoplegging die de wettelijke strafmaxima overschrijdt; de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde strafoplegging.

Uitspraak

20 mei 2014
Strafkamer
nr. 13/00094
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 9 november 2012, nummer 21/001736-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1.Het geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het tweede middel

2.1.
Het middel klaagt over de strafoplegging.
2.2.
Het Hof heeft de verdachte ter zake van - naar de Hoge Raad begrijpt - "handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Het Hof heeft de oplegging van die straf onder meer als volgt gemotiveerd:
"Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op de capaciteit van de aangetroffen hennepkwekerij van 2659 planten) en acht geslagen op de oriëntatiepunten die binnen de rechtspraak worden gehanteerd. Volgens die oriëntatiepunten straftoemeting is bij het aanwezig hebben van een kwekerij met een capaciteit van 500 tot 1000 planten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 weken passend en geboden.
Hoewel bovengenoemde omstandigheden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zouden rechtvaardigen, ziet het hof aanleiding in plaats van dergelijke straf een werkstraf op te leggen. Het hof heeft daarbij gelet op de omstandigheid dat de politierechter verdachte in eerste aanleg een werkstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, heeft opgelegd en dat de advocaat-generaal in hoger beroep een werkstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, heeft gevorderd. Voorts heeft het hof er rekening mee gehouden dat verdachte, blijkens het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 8 oktober 2012, niet eerder wegens Opiumwetfeiten is veroordeeld.
Gelet op de omvang en professionele opzet van de aangetroffen kwekerij is het hof evenwel van oordeel dat een hogere werkstraf dient te worden opgelegd dan door de advocaat-generaal is gevorderd."
2.3.
Op handelen in strijd met een in art. 3 Opiumwet Pro gegeven verbod is in art. 11, eerste lid, van die wet als maximale vrijheidsstraf hechtenis van ten hoogste een maand gesteld. Gelet hierop is 's Hofs overweging dat volgens de oriëntatiepunten straftoemeting hier een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf weken passend en geboden is en dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd zou zijn, onbegrijpelijk.
2.4.
Het middel klaagt daarover terecht.

3.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 mei 2014.