Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Tenlastelegging en motivering van de gegeven vrijspraak
3.Beoordeling van het middel
4.Slotsom
5.Beslissing
20 mei 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd vrijgesproken van mensenhandel met een minderjarige prostituee. De tenlastelegging betrof het ertoe brengen van een minderjarige zich beschikbaar te stellen voor seksuele handelingen tegen betaling.
Het hof had het begrip 'ertoe brengen' uitgelegd als een situatie waarin een reële eigen keuze van de prostituee in meer of mindere mate afwezig is, ongeacht of zij minderjarig is. Het hof achtte de verklaring van het slachtoffer in eerste aanleg onvoldoende betrouwbaar en baseerde zich op een eerdere verklaring waarin verdachte slechts faciliterende activiteiten verrichtte op verzoek van de minderjarige, die hem als beschermend ervoer. Daarom sprak het hof verdachte vrij.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een te beperkte en onjuiste betekenis heeft toegekend aan het begrip 'ertoe brengen' zoals bedoeld in art. 273f, eerste lid onder 5°, Sr. De wetsgeschiedenis toont aan dat deze bepaling minderjarigen beschermt zonder de eis van dwang, en dat het begrip 'ertoe brengen' ook gedragingen omvat die de vrijheid van de minderjarige om met prostitutie te stoppen belemmeren, ongeacht haar vrijwillige betrokkenheid.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep. Hiermee wordt bevestigd dat de bescherming van minderjarigen tegen seksuele uitbuiting ruim moet worden uitgelegd, en dat faciliterende activiteiten niet uitsluiten dat sprake is van mensenhandel.
Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken in openbare terechtzitting op 20 mei 2014.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.