Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s‑Gravenhagevan 23 oktober 2012, nrs. BK‑11/00050 en 11/00051, betreffende aanslagen in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een B.V., had voor de jaren 2002 en 2003 aanslagen in de vennootschapsbelasting ontvangen, waarbij zij stelde dat haar plaats van leiding niet in Nederland maar op de Nederlandse Antillen lag. De Inspecteur corrigeerde de aangiften en ging uit van een vestiging in Nederland. Na bezwaar en procedures bij de Rechtbank en het Hof, waarbij de aanslagen werden gehandhaafd, stelde belanghebbende in cassatie onder meer dat het Hof ten onrechte haar voorwaardelijke bewijsaanbod had afgewezen.
Het bewijsaanbod betrof het horen van getuigen, waaronder twee personen die eerder niet waren verschenen. Het Hof wees het aanbod af omdat belanghebbende geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om getuigen mee te brengen of op te roepen, ondanks dat zij hiervoor uitnodigingen had ontvangen. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht kon volstaan met een uitnodiging als voldoende gelegenheid tot bewijslevering, tenzij bijzondere omstandigheden dat verhinderen, welke hier niet waren gesteld.
Ook het verzoek om het Hof zelf getuigen op te laten roepen werd afgewezen, omdat het Hof dit alleen hoeft te doen indien het zinvol is en rekening mag houden met het feit dat belanghebbende zelf geen pogingen had ondernomen. De overige middelen faalden eveneens. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het oordeel van het Hof dat het bewijsaanbod terecht is afgewezen.