Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 18 april 2013, nr. 11/00048, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank werd de aanslag verminderd. Het Hof vernietigde deze uitspraak en stelde een hoger belastbaar bedrag vast. Belanghebbende stelde vervolgens cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een correctie wegens vrijval van de vervangingsreserve in 1999 niet meer in geschil was, omdat het Hof miskende dat de toevoeging aan de vervangingsreserve na een ambtshalve vermindering van het belastbare bedrag voor 1996 in stand bleef. Hierdoor had het Hof moeten beoordelen of het bedrag van de vervangingsreserve in 1999 volgens artikel 14, lid 2, Wet IB 1964 in de winst moest worden opgenomen.
De Hoge Raad verklaart het incidentele cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond, vernietigt de uitspraak van het Hof en vermindert de aanslag tot een hoger belastbaar bedrag dan door het Hof vastgesteld. Het principale beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard. Tevens wordt het griffierecht vergoed aan belanghebbende. Er worden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en stelt het belastbare bedrag hoger vast met opname van de vrijval van de vervangingsreserve in 1999.